Verlos de scholen van dertig jaar beleid

En ja hoor, ook deze minister van Onderwijs presteert het weer om zinloze maatregelen uit te storten over leraren. Misschien moeten we gewoon opnieuw beginnen, stelt Ton van Haperen.

De leraren in het voortgezet onderwijs staken in januari. Hiermee hopen ze te voorkomen dat de Eerste Kamer instemt met de nieuwe Wet onderwijstijd. Deze wet verkort de zomervakantie met een week en verhoogt het aantal uren les met veertig per jaar.

Scholen hebben daar last van. Op de onderwijskwaliteit heeft het geen invloed. Het is dus geen goed plan. Toch zal het gezond verstand niet zegevieren. De wet past immers in een patroon. Negeren van praktijkargumenten is al drie decennia het uitgangspunt van het Nederlandse onderwijsbeleid. Erg handig is dit niet. Landen waarin politici wel naar leraren luisteren, presteren beter.

In de jaren zeventig was de lespraktijk voor het laatst doorslaggevend in het publieke debat. De politiek wilde de kansengelijkheid bevorderen, met de middenschool. Leraren plaatsten dit idee in de categorie ‘onuitvoerbaar’. Het ging niet door. Sinds deze overwinning strompelt de werkvloer van de ene nederlaag naar de andere. De aaneenschakeling van verlies begon in de jaren tachtig bij minister Deetman (CDA). Hij zette de beroepsgroep op een salarisachterstand. Daarna creëerde minister Ritzen (PvdA) autonome bestuurders. Hun opdracht luidde: breek de ruggegraat van die eigenwijze leraren die denken dat ze de baas zijn. Na het horen van de knak was het karwei niet af. Staatssecretarissen Wallage en Netelenbos (beiden PvdA) wisten ook nog eens beter hoe dat moest, lesgeven. De basisvorming en het studiehuis dwongen tot een andere aanpak in de klas.

Twee staatscommissies constateerden in 2007 dat dit autoritaire vernieuwingsbeleid het leren van pubers geen goed heeft gedaan. Dit gegeven weerhoudt minister Van Bijsterveldt (CDA) en staatssecretaris Zijlstra (VVD) er niet van om te handelen met eenzelfde dedain jegens praktijkargumenten.

Hun nieuwe beleid bestaat uit de Wet onderwijstijd, de Wet passend onderwijs en de invoering van de prestatiebeloning. De mannen en vrouwen voor de klas zijn hier drie keer tegen. Het gaat gewoon door. Weer vergist de politiek zich.

Neem de prestatiebeloning. Deze mag 250 miljoen euro kosten. Waarom? Vanaf de jaren negentig is hier onderzoek naar gedaan. Een berg enerzijds-anderzijdsresultaten is het gevolg. Overtuigend bewijs voor een verband met de prestaties van leerlingen ontbreekt. Logisch, zegt de leraar. Een paar tientjes per maand extra heeft geen effect op ingesleten gedrag in de klas. Prestatiebeloning maakt leraren niet beter. Ze zullen hooguit foezelen en frauderen om dat gratis geld binnen te halen.

De Wet onderwijstijd is even onzinnig. Finland presteert met 75 procent van het aantal lesuren beter dan Nederland. De zomervakantie is daar tien weken, tegen zeven hier. Hoe fiksen die Finnen dat – meer leren in minder tijd? Daar zijn leraren hoogopgeleid en geselecteerd voor het beroep. Ze hebben zeggenschap over hun werk. Waarom doen wij het niet zo? Omdat hier bestuurders en politici beurtelings woest aan het stuur mogen trekken. In het Nederlandse onderwijsparadigma is kwaliteit het resultaat van regelgeving, pedagogisch-didactische vondsten en professionele organisaties, opgetuigd met beleidsmedewerkers en op de huid gezeten door een proactieve inspectie. Volle kantoren, volle klassen en een krimpend budget – ziehier ons verdienmodel.

Onderzoek leert dat het Nederlandse model onlosmakelijk is verbonden met onderpresteren. In toplanden is het onderwijs anders georganiseerd. The Economist beschreef in september op welke vier pijlers schoolprestaties rusten: macht teruggeven aan scholen, aandacht voor onderpresterende leerlingen, keuze uit verschillende soorten scholen en hoge eisen aan leraren. Met andere woorden: leid goede leraren op. Zij doen het werk, met elkaar, binnen grofmazige afspraken, zonder zich druk te hoeven maken over zaken waarvan ze geen verstand hebben.

In Nederland steken leraren steeds vaker energie in dingen die niets te maken hebben met lesgeven. Zo hevelt de Wet passend onderwijs zorgleerlingen over van het speciaal naar het regulier onderwijs. Dit moet 300 miljoen euro opleveren. De werkvloer zegt dat het helemaal niet kan.

Ooit was ik mentor van een klas met vier autisten. Volle groepen, veel vakken met telkens een andere leraar, in een onoverzichtelijk gebouw – het was deze combinatie die drie van hen sloopte. Hun vertrek naar het speciaal onderwijs was dramatisch, maar de Wet passend onderwijs sluit deze uitweg af. Ik moet een zorgcursus volgen en die kinderen binnenhouden, maar dat is kansloos. Ik kan aardig lesgeven, maar zal nooit een bedreven autistenfluisteraar worden. Het gevolg is dat deze kwetsbare kinderen in de toekomst ziek thuis zitten.

Het Nederlandse onderwijsbeleid is een machtsspel van hoge ambtenaren, bestuurders en bewindslieden. Naar de werkvloer luisteren schiet erbij in. Inmiddels is dit nog begrijpelijk ook. Dertig jaar verlies maakt klein. De leraar is verschrompeld. Hiervan raken ook toekomstige bewindslieden niet onder de indruk. Zij kunnen niet anders dan met de beste bedoelingen weer nieuwe wetten bedenken die alles alleen maar erger maken.

Stakende leraren hebben gelijk, maar hun giftige omgeving leidt ertoe dat ze het nooit krijgen.

Het Amerikaanse opinieblad Newsweek verdiepte zich in 2010 in onderwijsprestaties in de Verenigde Staten. Wat bleek? Nergens waren deze zo spectaculair gestegen als in New Orleans. Na de orkaan Katrina zijn scholen van de grond af opgebouwd. Leraren moesten opnieuw solliciteren naar hun baan.

Ziehier de redding van de Nederlandse middelbare school. Erken dat ze is getroffen door een hoosbui van onzinbeleid. Hierdoor is de relatie tussen leraren, besturen en politiek verstoord. Bombardeer het stelsel. Begin opnieuw. Bouw op, van onderaf, school voor school, geleid door bewezen goede leraren. Niemand heeft er iets aan als we nog eens dertig jaar tegen de wind in plassen.

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist.