U werd al verwacht

Het gaat, zoals altijd, om de details.

Hoe was het gisteren om Co Adriaanse te zijn? Daarvoor moeten we naar het verslag van Michiel Dekker en Bart Hinke in deze krant. Zij beschrijven hoe Adriaanse ’s morgens „in spijkerbroek en leren jack de Veste” binnengaat. Bedoeld wordt De Grolsch Veste, het stadion van FC Twente, maar ‘Veste’ klinkt in dit verband beter. We kunnen nu Adriaanse zien als de landmeter K. uit Kafka’s roman Het slot, die vertwijfeld tot de burcht probeert door te dringen waar de ongrijpbare macht zetelt die over zijn bestaan beslist.

„Als je niet wist dat het een slot was, had je het voor een stadje kunnen aanzien”, schrijft Kafka. Een soort Enschede dus.

De trainer vraagt aan de receptioniste „waar het oude kantoor is van Jan van Halst, de vertrokken commercieel manager”. Een half jaar werkt Adriaanse al bij FC Twente, maar hij weet nog steeds niet waar dit kantoor in deze labyrintische Veste is gevestigd. Zou hij weten waarom Van Halst moest vertrekken? Natuurlijk niet. Dat weet niemand, behalve de burchtheer.

Wie is die geheimzinnige burchtheer? De man die zich Joop Munsterman noemt? Maar dat is zo’n onpersoonlijk uitziend en pratend persoon dat je bijna niet kunt geloven dat hij de burchtheer zélf is.

Een medewerkster van de burchtheer nadert nu de trainer. Ze verzoekt hem de lift in te stappen. „U werd al verwacht”, zegt ze.

U werd al verwacht. Het zijn maar vier korte, fletse woordjes, maar gecombineerd hebben ze de werking van een snel dodend gif. Het is de aankondiging van een ondergang. Adriaanse ziet het al voor zich, als in een visioen: Joop Munsterman die hem vriendelijk aan het hoofd van een lange tafel opwacht, de koffie die opgewekt door de medewerkster wordt ingeschonken. Hij hoort de wellevende kuchjes, de niet zonder plechtigheid uitgesproken eerste zinnen, het geritsel van papieren die steeds meer aandacht zullen opeisen, want wat stond er ook alweer precies in ‘het contract’?

Het gesprek heeft drieëneenhalf uur geduurd. Daarna heeft Adriaanse zwijgend ‘via een zij-uitgang’ de Veste verlaten. Het was voorbij, hij zou hier nooit meer worden verwacht.

Drieëneenhalf uur! Dat is veel voor een gesprek waarvan de uitkomst al tevoren vaststond. Maar van Adriaanse is bekend dat hij zijn huid duur verkoopt, ook als die al als een lege huls naast zijn stoel ligt.

Zes jaar geleden schreef sportjournalist Jaap Visser voor Hard Gras een interessant profiel van Adriaanse met als titel deze typerende quote van de trainer: „Ik maak geen fouten”. Adriaanse was openhartig tegen Visser, hij vertelde wat er gebeurde toen de leiding van Ajax hem in 2001 op het matje riep. Het ging niet goed, men besloot in te grijpen. In de bestuurskamer wachtten voorzitter Michael van Praag en de directeuren Arie van Eijden en Leo Beenhakker hem op.

Adriaanse vroeg of het licht kon worden gedimd. „Ik keek ze strak aan, héél strak. Dat kan ik goed. Ik kan vernietigend kijken.” Adriaanse begon tegen hen uit te varen: hoe ze hem over en achter zijn rug kapot hadden gemaakt. Het was geen zelfmoordactie, zei hij tegen Vissers, hij wilde ze op deze manier juist overhalen om met hem door te gaan. Tevergeefs, natuurlijk.

Heeft Adriaanse zijn tot mislukken gedoemde act tijdens die drieëneenhalf uur in de Veste herhaald? Dan heeft hij nog steeds niets van macht begrepen. Hij moet Kafka gaan lezen.