Trauma's van het korte lange zweven

Het succes dat in judo niet voor hem was weggelegd behaalde Peter Buwalda wel met zijn roman Bonita Avenue. „Met judo viel ik niet samen, met schrijven veel meer.”

I n de nacht van 29 op 30 december 2011, de nacht voordat hij veertig werd, droomde Peter Buwalda dat hij in een restaurant door een agressieve jongen werd uitgedaagd. Het liep uit op een handgemeen. Buwalda: „En toen welde het gevoel in mij op waar Siem Sigerius in mijn roman ook een beroep op doet.” In de droom ervoer Buwalda „een roesachtig mengsel van concentratie en verwildering. Pure agressie, geen reflectie meer”. De uitdager moest worden uitgeschakeld.

Buwalda: „Het was een naar gevoel dat ik in die droom aansprak. Het idee alles uit jezelf te halen wat je aan kracht en agressie in je hebt.”

Van zijn zesde tot zijn twintigste deed Buwalda aan judo, dat in Bonita Avenue een grote rol speelt. „Ik zat in een soort regime: trainen, wedstrijden. Leuk was het alleen de eerste jaren, later werd het een plicht.” Zijn judoleraar was zijn voorbeeld. „Het waren vormende jaren, de man straalde uit: als je iets wilt bereiken, moet je toewijding tonen.”

Buwalda was niet slecht in judo, maar geen topper. Vaak had hij de bittere ervaring van „het korte lange zweven”: de judoka die wordt gegooid door een sterkere tegenstander om met een smak op de mat terecht te komen. „Dat zijn kleine trauma’s. Het gaat in een flits voorbij, maar met een tweede oog zie je in slowmotion wat er met jezelf gebeurt. Je ervaart de fataliteit ervan. Dat aspect van sudden death heeft judo in zich. Daarna is er verslagenheid. Het is de ultieme nederlaag, een ontmanning bijna.”

Op zijn achttiende haalde hij de zwarte band, daarna heeft hij er naar eigen zeggen twee jaar mee rondgewandeld terwijl hij het er als judoka van nam. „Ik wilde nog even genieten, maar de scherpte was er af.” Daar kwam bij, dat hij de zwarte band niet op de meest directe manier in de wacht sleepte: via het scoren van 100 wedstrijdpunten waarmee judoka’s vrijstelling krijgen van het lopen van kata’s, rituele stijloefeningen. „Ik heb na de zoveelste nederlaag huilend bij mijn ouders gestaan, van schaamte, dat ik die rotpunten niet bij elkaar kreeg. Ik heb toen die kata gedaan, een examen waarbij je individuele stijlfiguren op de mat legt, achteraf wel bijzonder.”

Het succes dat in judo niet voor hem was weggelegd behaalde hij wel met zijn roman. „Met judo viel ik niet samen, met schrijven veel meer. Het eerste jaar dacht ik dat het schrijven van Bonita Avenue in kantooruren kon, maar dat bleek een misverstand. Ik heb er drie jaar zeven dagen per week aan gewerkt. Ik begon tussen half negen en half tien ’s ochtends. Een ijzeren regime van 750 woorden per dag. Als die overdag niet waren geschreven werkte ik door. Als ik ’s nachts niet kon slapen schreef ik door de nacht heen. Dat is zo’n honderd keer gebeurd.”

Op het laatst werd hij paranoia. „Ik had een klomp proza maar was bang dat de roman niet af zou komen. Ik voelde mij als een olympische sporter: drie jaar voorbereiding met het risico er tijdens het toernooi niets van te bakken. Ik zat in een tunnel, werkte in een intense vorm van concentratie. Ik was verschrikkelijk afgeleefd. In de week dat ik de drukproeven corrigeerde, stierf mijn opa. Ik had een hechte band met hem, had mij lang voorbereid op de dag dat hij dood zou gaan. Maar mijn ouders moesten met mij onderhandelen om me op tijd bij de begrafenis te krijgen. Ik moest de laatste hoofdstukken nog verbeteren. Onderweg naar de begraafplaats zat ik aan de telefoon met de uitgever.”

We zitten aan een lange tafel in zijn bovenwoning in Haarlem. Naast hem de stoel waarop hij schreef, tegenover een laptop die precies op de juiste hoogte is afgesteld, op een groot dik boek. De schrijver als mentale topsporter die zijn materiaal koestert. „Als ik vastzat of ontevreden was pakte ik een boek van een favoriete schrijver. Las ik passages die ik goed vond net zo vaak tot ik dacht: flauwekul, geen reet aan. Dat had ik heel anders aangepakt.”

Dat monomane deelt hij met zijn romanpersonage Siem Sigerius. „Die eigenschap heb je nodig om iets te maken wat er nog niet was. Jezelf niet versnipperen.” Sigerius blonk eerst uit in judo, tijdens de genezing van een blessure maakte hij een doorstart als wiskundige. Voor de workaholic schrijver, zegt Buwalda, is het lastig. „Als het boek slecht was geweest, was al dat werk ijdel gebleken. Fictie schrijven slaat eigenlijk nergens op, behalve als het goed is gedaan. Maar als schrijver is je lot ongewis. Je bent in competitie met de lezer, met de literatuur, met collega’s en straks met Bonita Avenue.”

En, hoe smaakt het succes? Peter Buwalda kijkt zuinig. „Naar ranja. Best lekker maar een beetje zoet.”

Er is wel iets veranderd. „Ik ben nu een producent van boeken geworden, dat verandert de status van mijn boekenkast. Die is een paar rangen naar beneden gegaan. De boeken in deze kasten zijn minder bepalend voor wie ik ben. Ik ben nu wat ik zelf schrijf.”

Menno de Galan