'Toen leek dat diep filosofisch inzicht'

Apocalypse Now leerde Rutger Wolfson, directeur van het filmfestival Rotterdam, als puber dat film kunst kan zijn.

„Thuis hadden we geen videorecorder, we behoorden ook tot de laatsten in de straat met een kleurentelevisie. Toen ik een jaar of veertien was en en veel films begon te kijken, was dat altijd bij een vriendje. We gingen dan naar een videotheek en huurden altijd minstens vier films tegelijk. We keken naar films als Class of 1984 en we waren gek op horrorfilms, zoals Evil Dead en op oorlogsfilms. Zo ben ik bij Apocalypse Now terechtgekomen.

„Apocalypse Now keken we om de een of andere reden altijd als laatste en ik haalde nooit het eind. Ik heb het eerste uur van de film wel vier keer gezien. Uiteindelijk ben ik erin geslaagd om de film helemaal uit te zien.

„Dat was het moment waarop ik erachter kwam dat film meer kan zijn dan alleen amusement, dat film ook kunst is. Wat begint als een oorlogsfilm mondt uit in een soort spirituele reis naar het binnenste van de ziel. Nu kijk ik met meer afstand naar de film. Het einde is, denk ik, gewoon mislukt. Marlon Brando houdt dan als de waanzinnige Kurtz zijn grote speech: dat hij moet moorden omdat hij zoveel van mensen houdt. Dat begrijp ik nu niet meer, toen kwam dat op me over als een baanbrekend inzicht, een metafysische waarheid.

„Later heb ik ook de film gezien over het maken van de film, Hearts of Darkness. Die is bijna even fascinerend. Zoals Brando aan method acting deed in de film, zo deed Francis Ford Coppola aan method directing. Hoofdrolspeler Martin Sheen was toen net gescheiden. Je ziet hoe Coppola hem opfokt. ‘Think about your wife, Marty.’ En dan gaat Sheen helemaal los, in die beginscène waarin hij zijn hand stukslaat op een spiegel.

„De eerste film die ik op het filmfestival in Rotterdam zag, met dat zelfde vriendje, was Blue Velvet van David Lynch. Als je rond de vijftien bent en net bezig bent met ontluikende seksualiteit, maakt zo’n erotisch geladen film diepe indruk. De film gaat natuurlijk over de perverse fantasieën die achter een keurig burgerlijke oppervlakte schuilgaan. Eigenlijk een behoorlijke open deur, maar toen vond ik dat een diepe filosofische wijsheid. Na afloop was er een debat in het Hilton. Wij durfden er niet echt goed bij te gaan zitten en hingen een beetje rond in de gangen, als twee opgeschoten pubers. We moeten een rare indruk hebben gemaakt op andere festivalgangers.”