Regeren over rechts of links maakt niet meer zo veel uit

PvdA-leider Job Cohen wil nieuwe verkiezingen. En dan? Een wisseling van de wacht lost nergens de problemen op en gekozen politici worden verruild voor technocraten, constateert Jan van Putten.

‘Hoe eerder dit kabinet weg is, hoe beter”, zei PvdA-leider Job Cohen vlak voor het einde van 2011. En wat dan? Wat staat hem precies voor ogen in deze tijd van kaalslag van politieke partijen? In de regeringen van Griekenland en Italië hebben gekozen politici onlangs plaats moeten maken voor niet-gekozen bestuurders, onder invloed van de financiële crisis. In de regeringen van andere landen zijn gekozen politici van centrum-links vervangen door politici van centrum-rechts (Spanje) of politici van centrum-rechts door politici van centrum-links (Ierland) – dit alles ter ‘oplossing’ van identieke problemen.

Regeringen die in politieke partijen hun basis vinden, vertonen nog maar een zeer gering vermogen om financiële problemen op te lossen.

Dit geldt ook voor Nederland. Er zijn genoeg pogingen geweest om de overheidsuitgaven te beheersen, van de Zijlstranorm van een halve eeuw geleden tot de Zalmnorm van omstreeks de eeuwwisseling. Zelfs in het zuinige Nederland was het telkens weer moeilijk om de rijksbegroting binnen de norm te houden. De lessen van de Britse econoom John Maynard Keynes, dat de overheid dient te sparen in tijden van hoogconjunctuur om in slechtere tijden iets achter de hand te hebben, werden veronachtzaamd.

Elke poging om de overheidsfinanciën te beperken, staat bloot aan tegendruk uit de samenleving, gekanaliseerd door politieke partijen. Deze druk is toegenomen naarmate westerse democratieën veranderden van karakter.

Tot in de jaren zestig waren de meeste politieke partijen beginselpartijen. Ze waren gebaseerd op een godsdienstige of ideologische overtuiging. De voormannen van deze partijen waren in staat onderling afspraken te maken en zich daaraan te houden.

Thans zijn de partijen nog maar in beperkte mate ideologisch. In de seculiere consumptiemaatschappij fungeren ze meer en meer als vertolkers van de wensen van maatschappelijke groeperingen. De partijen concurreren onderling om aandacht voor incidenten.

Deze ontwikkeling wordt versterkt door permanent opinieonderzoek en nieuwe communicatietechnieken. Maandelijks wordt de kiezersgunst gepeild. Kiezers wordt gevraagd wat zij wensen. De politicus die voor de uitkomsten daarvan onverschillig blijft, staat sterk. Met andere woorden: ook de verkiezingsstrijd is permanent geworden.

Mogelijk verschillen de politici van vandaag in karakter van hun voorgangers. Kunt u zich politici van het kaliber Willem Drees (PvdA), Carl Romme (KVP), Pieter Oud (VVD), Jan Schouten (ARP) of Hendrik Willem Tilanus (CHU) voorstellen als twitteraars die zich zonder ophouden laten leiden door de waan van de dag?

Het grote aantal kabinetten-Balkenende in een korte tijdsperiode – vier in minder dan acht jaar – en de vreemde constructie van het kabinet-Rutte duiden niet op grote stabiliteit in ons partijpolitieke stelsel. Buiten Nederland zijn de partijpolitieke verhoudingen eveneens minder stabiel geworden.

Behalve Griekenland, Ierland, Italië en Spanje kan België worden genoemd. Dit land zat vijfhonderd dagen zonder regering. In Duitsland hangt het voortbestaan van het kabinet-Merkel aan een zijden draadje. De beide grote partijen in de Verenigde Staten, met hun eigensoortige institutionele verhoudingen, zijn evenmin een toonbeeld van daadkracht.

Zijn er alternatieven? In Europa hebben ingrepen geleid tot een vermindering van de rol van politieke partijen. Kabinetten worden geleid door financieel-economische deskundigen zonder partijbanden. Regeringen staan onder toezicht van het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Unie. In nieuwe Europese maatregelen is geen rol voorzien voor het Europees Parlement. Wie denkt dat meer democratie tot oplossing van problemen zou kunnen bijdragen, krijgt de wind van voren, zoals de Griekse premier Papandreou heeft ondervonden.

Is minder democratie onze toekomst?

Het beeld voor de komende jaren is weinig rooskleurig. Op salarissen en pensioenen wordt gekort. Bestedingen nemen af. De werkloosheid neemt toe. De overheid ontvangt minder belastingen. Welke rol kunnen politieke partijen hierin nog spelen? Hoe kunnen zij concurreren om de kiezersgunst als zij de kiezers vooral bezuinigingen en minder koopkracht hebben te bieden?

Laten we terugkeren naar Nederland en naar de uitspraak van Cohen. Na de verkiezingen zal het met een verzwakte PvdA en een verzwakt CDA moeilijker zijn een parlementair meerderheidskabinet te vormen, dat bovendien zo homogeen is dat het een daadkrachtig beleid kan voeren. Moeten we dan maar naar een extraparlementair of een zakenkabinet, kabinetten die minder of in het geheel niet zijn gebonden aan vooraf beklonken afspraken met politieke partijen en daardoor een groter probleemoplossend vermogen (kunnen) hebben? Er zijn geen tekenen die erop wijzen dat hierover wordt nagedacht.

Behalve de financieel-economische crisis dient ook de partijpolitieke crisis te worden bestreden. Omdat dit een structureel probleem is, zouden partijen met verantwoordelijkheidsbesef zich gezamenlijk moeten beraden op de vraag wat nog de rol is van politieke partijen in het parlementaire bestel.

Wie neemt het initiatief?

Jan van Putten was journalist en hoogleraar politicologie.