Paranoia in hart van de FBI

J. Edgar. Regie: Clint Eastwood. Met: Leonardo DiCaprio, Naomi Watts, Armie Hammer, Judi Dench. In: 31 bioscopen. ***

In de eerste scène van J. Edgar, Clint Eastwoods portret van J. Edgar Hoover, die tussen 1924 en 1972 hoofd was van de FBI, dicteert hij zijn memoires. Hoe onbetrouwbaar deze zijn, blijkt helemaal aan het eind van de ruim twee uur durende film, als Clyde Tolson, zijn loyale rechterhand bij de FBI, opsomt wat er allemaal niet klopt. Hoover was niet vies van zelfpromotie; het is niet verwonderlijk dat hij het ‘print the legend’-adagium aanhangt.

Het scenario van Dustin Lance Black (Milk) probeert deze mythevorming af te pellen. Achter zijn publieke imago als machtig misdaadbestrijder liggen geheimen. Zo was Hoover (Leonardo DiCaprio) een moederskindje. Zijn moeder Annie (Judi Dench) had torenhoge verwachtingen en oefende constant druk op hem uit om succesvol te worden. Toch hield hij zielsveel van haar en vroeg haar altijd om advies. Als zij sterft, is hij ontroostbaar. In een sterke scène hangt hij de dag van haar overlijden haar juwelen om en trekt huilend een jurk aan. Deze scène verwijst ook naar de seksuele geaardheid van Hoover. Volgens velen had hij stiekem een verhouding met Tolson (Armie Hammer).

In een andere sterke scène, begin jaren twintig, neemt Hoover een meisje mee op een date. Ze bezoeken de Library of Congress, waar hij haar vol trots het kaartsysteem toont dat hij ontwierp – Hoover was eerst bibliothecaris. Dan doet hij haar een huwelijksaanzoek, dat zij prompt afwijst. Zij prefereert het om zijn secretaresse te worden en dat zal Helen Gandy (Naomi Watts) haar hele leven zijn. Ze overleeft Hoover en speelt een belangrijke rol bij het vernietigen van zijn ‘private files’, met heimelijk verkregen informatie over het seksleven van presidenten en andere hooggeplaatsten. Brisante informatie die hij niet schroomt te gebruiken om vijf decennia de baas van de FBI te blijven.

J. Edgar heeft veel donker belichte scènes, als in de politiefilms die Hoovers daden bewieroken. Het bekrachtigt ook zijn duistere wereldbeeld, waarin paranoia en (irrationele?) angst voor het Rode Gevaar een grote rol spelen. Buiten Tolson en Gandy vertrouwde hij niemand. Hoewel de make-upeffecten die de acteurs bejaard maken J. Edgar vaak in de weg zitten, lukt het Eastwood om de film meer te laten zijn dan een stroperige, geïllustreerde geschiedenisles. Want zijn paranoïde, machtige figuren die de regels die ze zelf (mede) gecreëerd hebben met voeten treden niet van alle tijden?