Loon is niet slecht, rest wel

Schoonmakers verdienen niet eens heel slecht, gezien het werk dat ze doen. Het loon is dan ook niet hun voornaamste grief.

Je zou het niet denken, maar schoonmakers worden best goed betaald. Een 23-jarige schoonmaker die een jaar werkt, verdient 118 procent van het wettelijk minimumloon. Zijn salaris bedraagt 1.693 euro bruto per maand. Dat is een goede beloning, vergeleken met ander ongeschoold werk. „Kom daar maar eens om in de supermarkt, de catering of de horeca,” zegt Hans van der Spek, beloningsdeskundige bij adviesbureau Berenschot.

Alrik Boonstra, directeur-beloningsdeskundige bij Hay Group: „Iemand zonder opleiding die net begint en 18 procent meer verdient dan het minimumloon, dat is niet niks.” Het salaris van de gemiddelde winkelmedewerker ligt bijvoorbeeld op 113 procent van het minimumloon, zo blijkt uit Hay Groups database met ruim 300.000 salarissen. Deze medewerkers zijn gemiddeld 32 jaar oud en drie jaar in dienst. Ander voorbeeld: een heftruckchauffeur. Die verdient gemiddeld 120 procent van het minimumloon, en dan gaat het om mensen van 40 tot 45 jaar oud die zes jaar in dienst zijn.

Overigens verdienen schoonmakers het eerste jaar fors minder. Dat is een leerjaar. Vakbond FNV Bondgenoten ergert zich eraan dat maar weinig schoonmaakbedrijven hun personeel in dat jaar opleiden.

Zo snel een salaris ter hoogte van 118 procent van het minimumloon verdienen is dus niet gering. Het minimumloon zelf is dat ook niet; het behoort tot de top van Europa. Alleen Luxemburg, Ierland en België kennen een hoger minimumloon. Als je de koopkracht van het minimumloon vergelijkt scoort Nederland nog beter. Dan kent alleen Luxemburg een hoger loon, blijkt uit gegevens van het Europese statistiekbureau Eurostat.

Het loon is dan ook vast niet het grootste probleem van schoonmakers, zegt Van der Spek van Berenschot. Dat erkennen vakbonden FNV Bondgenoten en CNV Vakmensen ruiterlijk, ook al vinden ze nog steeds dat schoonmakers te weinig verdienen. FNV Bondgenoten eiste een salarisverhoging van 5 procent, CNV van 3 procent. CNV doet niet mee aan de staking. De bond ziet nog onderhandelingsruimte.

Cao-onderhandelaar Jan Kampherbeek van CNV: „Wij zeggen niet zozeer dat het loon laag is, maar het inkomen.” Schoonmakers kunnen volgens Kampherbeek steeds minder uren werken. Tachtig procent van de schoonmakers werkt parttime. „Deze mensen zijn afhankelijk van dit geld. Dat is anders dan in de horeca, waar veel studenten werken.”

Volgens Ron Meyer van FNV Bondgenoten liepen de onderhandelingen met de schoonmaakbedrijven over een nieuwe cao niet spaak op de looneis, maar op de andere eisen, zoals doorbetaling bij ziekte. Schoonmakers krijgen de eerste twee dagen dat ze ziek zijn geen salaris. Daarna betalen bedrijven twee jaar ziekte door. Ook de reiskostenvergoeding vinden de bonden te laag: die is er pas vanaf 30 kilometer.

Schoonmaken kent volgens Van der Spek en Boonstra voor een deel van de werknemers een aantrekkelijke arbeidsvoorwaarde die ander, vergelijkbaar werk niet kent: het is flexibel. Schoonmakers kunnen ’s avonds werken bijvoorbeeld, en overdag voor kinderen zorgen. Een deel van de schoonmakers zou liever overdag werken. Dat blijkt bij te dragen aan het werkplezier van schoonmakers, onderzocht Berenschot. Maar het kan niet altijd.

De voornaamste ergernis bij de bonden is de toegenomen werkdruk. Schoonmakers moeten een groter oppervlak poetsen in kortere tijd. Dat komt doordat grote bedrijven, ministeries, ziekenhuizen en bijvoorbeeld de NS geen schoonmakers meer in dienst hebben, maar ze inhuren bij schoonmaakbedrijven. Die concurreren om opdrachten en bieden steeds lagere prijzen voor hetzelfde werk.

De schoonmaakbedrijven erkennen dat de productienormen de afgelopen tien jaar „significant” zijn gestegen. Maar er wordt anders schoongemaakt, zegt Anton Witte, cao-onderhandelaar namens de schoonmaakbedrijven en tevens directeur personeelszaken bij Asito, een van de grootste schoonmaakbedrijven. „De huidige opdrachtgever vindt niet dat elke kamer in een kantoor elke dag gezogen moet worden.” Stofzuigen gebeurt tegenwoordig vaak één keer per week.

Ook geven steeds meer bedrijven en overheidsinstellingen de opdracht tot ‘visueel schoonmaken’. Dat betekent: maak alleen schoon wat er vies uitziet. Met dat minder grondig schoonmaken hebben schoonmakers moeite, zeggen de bonden. Ze zijn gewend grondig te poetsen. Sommigen gaan toch de wc op scholen schrobben terwijl daar geen opdracht voor is. Anders is het zo zielig voor de kinderen. Sommigen maken in hun eigen tijd schoon.

Witte erkent dat werknemers „werkdruk beleven”. Daar moeten schoonmaakbedrijven meer aandacht aan besteden, vindt hij. Maar schoonmakers moeten accepteren dat het viezer is op hun werkplek. „Ik kan niet ontkennen dat het minder goed schoon is als je één keer per week schoonmaakt in plaats van elke dag. Dat is een kwestie van accepteren voor de schoonmakers.”

Na de vorige grote staking in 2010 tekenden schoonmaakbedrijven en hun opdrachtgevers een gedragscode. Daarin spraken de opdrachtgevers af niet louter voor het schoonmaakbedrijf met de laagste prijs te gaan, maar ook te letten op de arbeidsomstandigheden. In de commissie die toeziet op naleving van de code zitten ook de bonden.

In december trokken de Rijksuniversiteit Groningen en de gemeente Utrecht hun aanbestedingen in, na kritiek van de commissie. Ze wilden de opdracht gunnen aan het schoonmaakbedrijf met de laagste prijs.