Ik ben Louis Nanet

nrc.next gaf vier schrijvers een vrije opdracht.

Vandaag de laatste aflevering: de bizarre wereld van internetfenomeen en ‘kindervriend’ Louis Nanet.

Ik wil u tijdens deze donkere dagen een verhaal vertellen. Het zal nu eens niet een verslag zijn van een rampzalig kerstdiner bij deze man thuis, of over een te vroeg gestorven favoriet huisdier, ook niet over een dreigende crisis of een minister die zijn werk niet goed doet, nee, het zal gaan over mijn vriend Tonnie Konijnslagers, een pedofiel met een groot hart.

Ik leerde Tonnie kennen in de winter van 2006. Ik was naar Thailand verhuisd omdat het mij in Nederland een beetje te heet onder de voeten werd. Ik had jaren daarvoor een dichtbundel gepubliceerd die tien jaar lang rotsvast in de toptien van best verkochte boeken bleef staan. Ik gaf gemiddeld zes interviews per week en was dit spelletje gaandeweg spuugzat. Mijn laatste optreden was in het programma De Wereld Draait Door, u kent het wel. Matthijs van Nieuwkerk vroeg mij het volgende: „Meneer Nanet, u heeft alle mogelijke prijzen gewonnen die er maar te winnen vallen, u wordt vertaald in zevenentwintig talen, u bent een mogelijke kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur… what’s next?”

De camera zoomde in op mijn snor, daarna mijn onderkin en toen opeens recht in mijn ogen.

„Thailand is next”, zei ik.

Ik vertrok naar een land waar ik niemand kende en niemand mij kende. Ik woonde in Pattaya, een nogal ‘vrije’ badplaats met een prachtig strand. Top, zou je zeggen, en dat dacht ik ook de eerste weken, die zich voltrokken in een roes van veel drank en groene en rode curry. Maar na die eerste weken sloeg de eenzaamheid toe. Mijn buurman Joran van der Sloot werd opgepakt, mijn favoriete bezorgrestaurant ging failliet en er zat voor mij niets anders op dan zo nu en dan naar Bangkok af te reizen om daar een beetje in wat hoerenclubs te zitten. Gewoon om wat mensen te zien. Wat gezelligheid te ervaren.

Op een avond zat ik in een nogal obscure club ten zuiden van Bangkok, in een buurt waar je eigenlijk alleen maar als sekstoerist komt en dan vooral als je op zoek bent naar de wat jongere hoertjes en geen zin hebt om ze van straat te plukken.

Tonnie Konijnslagers zat tegenover mij op een klapstoel te wachten op wat ze hier ‘de kaart’ noemen. De kaart is een rijtje bewegend vlees dat door uitbaters van clubs de ruimte in wordt geduwd en waaruit je een keuze kan maken. Tonnie droeg een groot Hawaïshirt en een strakke bermuda, zweette als een otter en maakte kleine piepende en grommende geluidjes terwijl de meisjes rondjes voor hem draaiden. „Lekker hè, pik”, zei hij tegen me, en gaf me een knipoog.

We raakten die avond aan de praat. Over Thailand, over buikgriep, en na heel veel drankjes over kinderen. Want Tonnie was een kindervriend die Nederland had verlaten omdat de maatschappij hem daar verpletterde. Hij vertelde hoe hij hier in Bangkok een Hollandse snackbar was begonnen („Mijn liefde voor een goed stuk vlees kent geen grenzen”) en daarnaast een website bijhield met foto’s. Er was vrijwel geen klandizie voor die snackbar, voor de website des te meer. Hij had klanten over de hele wereld, vertelde hij.

„Ik kan gewoon heel veel van mezelf in kinderen stoppen, pik”, zei hij op een avond. We bevonden ons bij mij thuis. We dronken witte port en aten Parmaham.

„Ja”, zei ik, „dat weet ik”.

„Nee, laat me uitpraten!” riep hij en hij keek me aan met zijn vurige donkere ogen. „Ik heb een abnormaal grote liefde voor kinderen. Ik wil ze vasthouden, ze knuffelen, ze koesteren… maar dat mag niet! Ik mag mijn liefde voor kinderen niet tentoonspreiden, want dan gaat deze jongen linea recta naar een gesloten afdeling in een tbs-kliniek.”

De een stopt hem graag in iets van zijn eigen leeftijd en de ander zoekt het wat ouder of juist wat jonger en daar is natuurlijk niets mis mee, mits je bij de tegenpartij geen schade aanricht en de boel een beetje netjes achterlaat. Tonnie was op dat gebied een echte gentleman, verzekerde hij mij.

Er waren dagen waarop er hier thuis meisjes rondliepen die niet ouder dan een jaar of twaalf konden zijn. Ik bakte spiegeleieren voor ze en Tonnie speelde Rummikub met ze. Juist tijdens deze toch wel gelukkige periode in mijn leven kwamen de eerste berichten in het nieuws over Robert M., de crècheleider die zich schuldig had gemaakt aan dingen waar ook mijn vriend, Tonnie Konijnslagers, zich schuldig aan maakte.

Het was ergens in de avond. Tonnie zat met een videocamera een aantal naakte meisjes achterna die hij als pakkage deal goedkoop had kunnen krijgen en maakte constant het geluid van een kettingzaag. Ik zat als vastgenageld aan mijn bank naar de beelden van ‘Het Hofnarretje’ te kijken.

„Dit moet je even zien”, mompelde ik en wees naar het televisiescherm.

„Geen tijd, poes!”, riep Tonnie en hij verdween in de slaapkamer waar het geluid van de kettingzaag steeds luider werd, bijgestaan door zinnen als „Maak me gek!” en „Ik ben godverdomme dol op jullie spleetogen!”

Kort daarna kwam er verandering in onze vriendschap. De website die Tonnie bijhield, was van de ene op de andere dag offline. Tonnie begon steeds meer te drinken. Hij probeerde zich uit alle macht te verdiepen in andere dingen, dingen die min of meer geoorloofd waren. De avonden waarop ik hem bezocht, werden overschaduwd door dat ene hele erge, waar hij maar beter niet over kon praten.

„Het is liefde, Louis, het is niets meer dan pure liefde”, zei hij. „Dit is trouwens een perfecte avond voor een zedenmisdrijf, vind je niet?”

Op 15 mei dit jaar werd Tonnie Konijnslagers, die nu in de media bekendstond als ‘Tonnie K.’, opgepakt door de Thaise politie. In de weken daarvoor had ik hem geen moment meer gezien of gesproken. Ik legde de laatste hand aan mijn essaybundel Negers zijn ook mensen? en probeerde me op de vlakte te houden, laffe hond die ik ben, want mijn beste vriend zat in een Thaise cel en zou binnen een paar dagen bij hoge uitzondering aan Nederland worden uitgeleverd. Wat deed ik? Niets. Ik zat op de bank en keek tv, en zodra zijn naam genoemd werd, wendde ik mijn blik af.

In een telefoongesprek met een landelijke krant zei Tonnie het volgende: „Ik ben een kindervriend van het hoogste kaliber. Ik geef het toe, ik hou zielsveel van kinderen (K. maakt het geluid van een kettingzaag).”

Het gegeven pedofilie begon me te intrigeren. Ik zag in diezelfde tijd berichten verschijnen over de Katholieke Kerk en natuurlijk werd er in Oostenrijk weer een kelder ontmanteld waarin een compleet volwassen geworden gezin hun halve leven opgesloten had gezeten. Ik begon me af te vragen of de passie van mijn vriend voor kinderen wel gezond was. Dagen en nachten was ik wakker en dronk meer dan ooit. Het deed pijn, want vriendschap is mij een dierbaar goed.

Niet lang daarna ontving ik een ansichtkaart uit een tbs-kliniek in Nederland. Op de voorkant was een guitig ogende peuter te zien met een speen in haar mond. Het kind droeg een gigantische luier en er stond met grote letters: ‘Een meisje, hoera!’

Op de achterkant stond in Tonnies kleine, kinderlijke handschrift: ‘Cher Louis, het is al een tijd geleden dat ik je een fatsoenlijke brief heb kunnen schrijven. Ik weet zeker dat je daar alle begrip voor kunt opbrengen; het is immers geen pretje om steeds maar het gevang in en uit te rollen voor de meest kinderlijke vergrijpen. Kane is uit elkaar, en mijn nieuwe, door kleuterhanden genaaide zijden hemd zit zo strak als een kinderkutje. Kregen we maar wat meer erkenning, wij, als kindervrienden. Vind je ook niet dat pedofilie steeds meer in het verdomhoekje wordt gezet? Dat je als liefhebber van het betere kind gestigmatiseerd, gedemoniseerd en vermeden wordt? De mensen weten gewoon niet meer wat echte liefde en affectie is, en dat affectie in het beste geval zonder lichaamsbeharing geconsumeerd moet worden. Men weet niet meer waar de pedofiel voor staat; immers, de pedomanen die men rijkelijk in de media tegenkomt, verpesten het voor de mensen die het wel goed bedoelen. Begrijp me goed. Ik ben een pedofiel. Geen pedomaan. Ik hoop dan ook dat we elkaar zien voor de jaarwisseling. Wellicht dat we een kalkoen kunnen kopen of een ander anatomisch correct stuk vlees. Ik heb een vulling en ik ben niet bang om hem te gebruiken.

Ik ga nu kijken of de uitgeholde leverworsten, die al een uur in een warm bad hebben liggen wellen, al op kamertemperatuur zijn. Geluk is immers vaak ook in eigen vuist te vinden.

Hou ’m stijf pik!

Je vriend,

Tonnie.’

Diezelfde middag nog ging ik op weg naar Pattaya beach. Ik had een Hawaïshirt aangetrokken en me goed ingesmeerd met zonnebrandcrème. De zee was overweldigend mooi, het zand was spierwit. Ik zocht een rustig plekje onder een palmboom. Bestelde een piña colada, en even later nog een.

Binnen een kwartier liepen er schaars geklede kinderen om me heen. Ik woelde met mijn handen door het zand, lag op mijn buik, als een gigantische, gehavende kleuter.

„You want something, mister?” vroeg een piepstem vlak bij mijn oor.

Ik keek op. En keek in de ogen van een meisje van een jaar of tien en dacht aan de woorden van mijn vriend Tonnie Konijnslagers, een pedofiel ja, maar wel een pedofiel met een groot hart: „Liefde. Pure liefde met een strakke babyhuid, kleine handjes, kleine voetjes… Die zijn nog niet verpest, pik!”