Hij is piloot, maar zit achter de kassa

Raphaël Wolfs leende anderhalve ton voor een pilotenopleiding.

Nu zit hij achter de kassa bij de Sligro, want er zijn geen piloten nodig door de crisis.

Berti Wolfs (47) doet de voordeur open, want Raphaël Wolfs (22), haar zoon, is nog even zijn vriendinnetje naar de trein brengen. Komt mooi uit, kan zij even haar hart luchten. Ze lacht er opgewekt bij, maar ondertussen. Twee kinderen hebben zij en haar man. De andere is een dochter van 21. Allebei waren ze het huis uit, al ruim drie jaar. En kijk nu eens. Allebei weer terug.

Een klein huis in de bossen bij Sint-Michielsgestel, bij een groepsvakantieoord. De man van Berti Wolfs is er de beheerder van. Zij is directiesecretaresse in een revalidatiecentrum in Tilburg.

Hun dochter, Marcia, ging na de havo naar Den Haag voor een opleiding sociaal pedagogische hulpverlening. Toen ze klaar was, vroeg ze of ze weer een tijdje thuis mocht komen wonen. Kon ze beter sparen voor een wereldreis. Goed. Dat valt nog in de categorie modern leven. Niet erg. Maar Raphaël?

Categorie crisis. Hij zal zo zelf zijn verhaal vertellen, eerst de klaagzang van de moeder. Je denkt dus dat je klaar bent met opvoeden en dat je weer al je energie in je werk kunt steken, in leuke dingen doen met je man. Ben je opeens weer gewoon een gezin.

Geen misverstand, Berti Wolfs houdt van haar kinderen. Maar op een zeker moment wil je dat ze hun eigen pad gaan. En nu is het toch weer zorgen voor en zorgen maken om. Met dat verschil dat ze vroeger ‘hup, naar boven’ kon zeggen, ‘ga je vuile was halen’. Maar ze wil ook niet dat die vuile was blijft slingeren. Dus wat dan? Op een dag stond ze te strijken en dacht ze: bah, bah. Zei haar dochter: voor ons is het ook vervelend, hoor.

Daar komt Raphaël door de tuindeur naar binnen. Brede schouders, zwarte krullen. Hij gaat naast zijn moeder zitten en kijkt naar haar. Wat is precies de bedoeling? Hij gaat hier echt niet zielig zitten doen, hoor. Zijn moeder zegt: „Raphaël wilde piloot worden vanaf het moment dat hij kon praten.” Raphaël knikt. Zo is het. Zijn moeder: „In groep zeven vroeg hij of we dat wel konden betalen. Hij had gehoord dat het veel geld kostte.” Ja hoor jongen, had ze tegen hem gezegd. Terwijl het natuurlijk niet waar was.

Vwo. Toen toch havo, want vwo was voor de pilotenopleiding niet nodig. „Wij vonden dat geen goed idee”, zegt zijn moeder. „Raphaël heeft een jaar lang geen gemakkelijke aan ons gehad. Maar meneer had zijn weg allang uitgestippeld.” Raphaël knikt weer en zegt: „Reizen, de wereld zien, en dat jij voor in zo’n toestel zit en alles onder controle hebt. Nu ik heb ervaren hoe het is om zelf te vliegen, weet ik zeker dat niets me blijer kan maken.”

Eerst deed hij aviation studies in Amsterdam, omdat zijn ouders het graag wilden. Minder duur en meer toekomst. Hij hield het een jaar vol. „Het lag me niet”, zegt hij. „Smoesjes”, zegt zijn moeder. „Je hebt je best niet gedaan.” Na dat jaar zeiden zijn ouders dat hij mocht proberen om piloot te worden, als hij zelf het geld zou regelen. Dat was in 2008, voor de kredietcrisis. Werk genoeg bij de luchtvaartmaatschappijen en ABN Amro, filiaal Schiphol, verstrekte hem graag een speciale pilotenlening: 104.000 euro voor de opleiding, 48.000 euro om van te leven en rente te betalen.

Hij kwam door alle keuringen. Bij de Nationale Luchtvaart School wist hij overtuigend te vertellen dat het hem om het vak ging, niet om het prestige en het salaris. „Terwijl het me natuurlijk ook om dat mooie pak met die strepen gaat. De eerste keer dat ik in mijn uniform op Schiphol liep, waren er gelijk al kindjes die met me op de foto wilden.”

Hij maakte zijn vlieguren in Portugal en Amerika. En toen hij zijn diploma en zijn brevet had, in mei 2011, was het eurocrisis. Geen luchtvaartmaatschappij die nog nieuwe piloten aannam.

„Ik wil bij Arke Fly werken”, zegt hij. „Ze vliegen 767, ze willen naar 787, en ze hebben veel bestemmingen in het Caraïbisch gebied. En ook Miami en Orlando, en Kathmandu. Mooie locaties, mooie vloot. Dat is mijn droom.”

Kansloos. Minstens vijftig sollicitatiebrieven stuurde hij, naar kleine en grote luchtvaartmaatschappijen over de hele wereld. „Misschien zijn het er intussen wel honderd.” Hooguit tien stuurden hem een mail terug: als u tussen nu en drie weken niets van ons hoort, kunt er ervan uitgaan dat u niet voor een gesprek wordt uitgenodigd.

Van de twintig studiegenoten uit zijn groep is nog niemand aan het werk. Van alle piloten die de afgelopen drie jaar in Nederland zijn opgeleid, ruim tweehonderd, zijn er nu voor zover hij weet twee aan het werk – bij een pakketdienst in Noord-Ierland.

Dus werkt Raphaël Wolfs nu achter de kassa bij de Sligro in Tilburg. Of hij vult de schappen. Hij verdient er ongeveer 1.200 euro netto per maand mee.

Nu betaalt hij nog 700 euro rente per maand aan ABN Amro. Vanaf februari moet hij volgens contract ook gaan aflossen. „Dan ben ik dus de slaaf van de bank”, zegt Raphaël. „Ik hoop dat het me met de regeling die ze me willen geven in vijf of zes jaar lukt. Daarna kan ik gaan leven.”

Zolang moet hij wel thuis blijven wonen. En vlieguren blijven maken, anders raakt hij zijn brevet kwijt en is alles sowieso voor niets geweest.

Kosten: 165 euro per uur. Hij moet ervoor naar Lelystad rijden. Zondag heeft hij voor het eerst zijn ouders meegenomen, in een Cessna. Rondje boven de polder. „Ik was trots”, zegt zijn moeder. „Zo trots. Ik zag hoe hij genoot.”

Een andere opleiding kan Raphaël de eerstkomende jaren niet betalen. En mocht er een luchtvaartmaatschappij komen die hem wel wil hebben, dan zal hij zich eerst voor 30.000 euro in de schulden moeten steken. Iedere maatschappij vliegt met zijn eigen type toestel en piloten moeten daar eerst voor in training. Op eigen kosten.