Extreme landen, extreme armoede

Wie zo met een half oog de recente gebeurtenissen in Noord-Korea heeft gevolgd, krijgt de indruk dat het land een karikatuur is van zichzelf. Een romancier als George Orwell had het niet met meer verve en absurde details kunnen verzinnen. Alleen al het taalgebruik doet je bijna in giechelen uitbarsten als het niet zo treurig was: Kim Jong-il was „de hoop voor alle progressieve en ongelukkige mensen in de wereld”. Of neem die snikkende volwassenen bij de begrafenis van de Grote Leider: identiek gekleed met identieke uitdrukkingen van wanhoop, alsof je naar een film als Metropolis zit te kijken.

Door isolement en indoctrinatie hebben Noord-Koreanen een vertekend beeld van de wereld. Ik heb ooit een Noord-Koreaanse ambassadeur ontmoet die bij hoog en bij laag beweerde dat duizend jaar geleden door heldhaftige Koreaanse boeren de mais was ontwikkeld. Keer op keer probeerde ik voorzichtig uit te leggen dat mais uit Midden-Amerika komt en pas na Columbus naar andere werelddelen is vervoerd en relatief recent op het Koreaanse schiereiland werd geïntroduceerd. Maar er was geen beginnen aan. Hij luisterde beleefd en begon vervolgens opnieuw zijn eigen argumenten op te sommen. Zijn versie van de geschiedenis was de enige.

Noord-Korea is een land dat ons een zeer ongemakkelijk gevoel geeft. Wat we zien, grenst zo aan het belachelijke dat je het bijna niet serieus kan nemen. Maar de realiteit is allesbehalve luchthartig. De schaarse objectieve gegevens over Noord-Korea vertellen een verhaal van honger en economische ineenstorting. Meer dan eenderde van de kinderen lijdt aan ernstige ondervoeding. Er is onvoldoende brandstof voor transport en de elektriciteitsvoorziening en oogsten mislukken geregeld. Hoewel het regime het niet wil toegeven, is het land in hoge mate afhankelijk van voedselhulp. Ondertussen is Noord-Korea een streng gecontroleerde, stalinistische staat en sinds 2006 een kernmacht, met alle onvoorspelbaarheid van dien. Weinig landen hebben zich zo volledig buiten de wereldorde van rationele dialoog en economische relaties geplaatst.

Noord-Korea is misschien wel een extreem geval, maar het is niet het enige voorbeeld van een falende staat met een afwijkend, bijna pathologisch onjuist wereldbeeld. In dat rijtje passen ook Cuba, Birma, Venezuela en Zimbabwe – allemaal gevallen van geïsoleerde regimes met een totaal eigen en desastreuze visie op economische verhoudingen. Dan zijn er enkele falende staten met iets minder uitgesproken isolement, zoals Haïti, en een aantal in Afrika, zoals Congo. Daar leidt langdurige economische teruggang tot chronische armoede. In die landen worden de armen niet gedefinieerd volgens de officiële norm van de Verenigde Naties – een beschikbaar inkomen van minder dan één dollar per dag – maar gaat het om de categorie extreme armoede: mensen die minder dan een halve dollar per dag te besteden hebben.

In totaal zijn er meer dan twintig landen die niet alleen stagnatie, maar zelfs negatieve economische groei hebben laten zien in het afgelopen decennium. Dit zijn zonder uitzondering landen zonder persvrijheid, zonder democratische structuren en zonder vrij verkeer van goederen en personen. Voedsel, informatie, opleidingen – de staat controleert het of schept niet de mogelijkheden voor vrije investeringen. Naar schatting leeft een half miljard mensen onder deze omstandigheden.

Dit cijfer is ontluisterend. Iedereen trekt zich in deze periode van crisis graag op aan de geweldige groei in Azië, Zuid-Amerika en Afrika, die ons weer uit het slop zal halen. Inderdaad, alleen al in Afrika zijn er een stuk of tien landen met groeicijfers waarbij Europa en de Verenigde Staten verbleken. Maar er gaat meer schuil achter die prachtige groei waarop wij onze hoop vestigen. Zo is in India het aantal ondervoede kinderen percentueel hoger dan in Afrika en in sommige staten zelfs hoger dan in Noord-Korea. Ook in China zijn de verschillen tussen arm en rijk adembenemend groot. Anders gezegd, het jubelverhaal over de opkomende economieën maskeert grote, zelfs extreme verschillen tussen en binnen die landen.

De les van Noord-Korea is dat een centraal geleide planeconomie, een gesloten markt en onderdrukking het recept vormen voor een humanitaire ramp. Maar India en bijvoorbeeld ook Brazilië tonen aan dat markt en openheid wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde zijn voor een breed gedeelde welvaart.

Dergelijke feiten dwingen ons ook ons wereldbeeld bij te stellen. Voor 2000 bestond de wereld voor de meeste Europeanen uit noord en zuid, rijk en arm, ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Nu is de indeling veel ingewikkelder: er bestaan nu extreem arme en gesloten landen zoals Noord-Korea, arme (Bangladesh), kansrijke maar met grote ongelijkheid (India), opkomende en open economieën (Brazilië) en rijke, maar stagnerende landen (Zuid-Europa). Armoede is de wereld niet uit, in de opkomende economieën net zo min als in falende staten. En zelfs niet in de VS. Noord-Korea illustreert dat de verschillen in wat ooit de derde wereld was, extreem zijn. De vraag blijft wat Nederland en Europa met hun ontwikkelingsbeleid echt aan armoede kunnen doen.