Eastwoodheld in travestie

J. Edgar Hoover fabuleerde en chanteerde, maar was de vader van de FBI. Clint Eastwood verbindt zijn succes in J. Edgar met zijn verdrongen homoseksualiteit.

De Amerikaanse Droom is opgetrokken uit leugens en halve waarheden. Nuttige leugens, dat wel, want wie laat zich nou door de waarheid inspireren?

Het is een rode lijn in het inmiddels 35 titels tellende oeuvre van Clint Eastwood als regisseur. De soldaten van Flags Of Our Fathers (2006) die in het kader van de oorlogsinspanning telkens dezelfde leugen moeten opdissen. De verzwegen broedermoord in het belang van de familie in Mystic River (2003). De ontluisterde westernmythes in Unforgiven (1992). Nelson Mandela die met een daverende leugen – dat hij iets geeft om de blanke sport rugby – Zuid-Afrika verenigt in Invictus (2009).

Clint Eastwood is gefascineerd door imago, leugen en schijnheroïek. Persoonlijk ooit diep geraakt toen filmcritica Pauline Kael hem in zijn rol van Dirty Harry tot het gezicht van het nieuwe Amerikaans fascisme bombardeerde, draaien zijn films vaak uit op een deconstructie van helden en mythes – maar in het besef dat de mens niet zonder kan en altijd nieuwe verzint. Daarom past J. Edgar, zijn film met Leonardo DiCaprio die deze week in roulatie gaat, prima in zijn oeuvre.

J. Edgar Hoover is de vader van de FBI. Onder zijn leiding groeide de opsporingsdienst tussen 1924 en 1972 uit van een tandeloos bureautje, BOI geheten, tot een bureaucratie die jaarlijks ruim 8 miljard dollar omzet. En groot prestige geniet, gevoed door Hoovers mythevorming rond de FBI-agent, of G-Man (regeringsman) die gewapend met een onkreukbare moraal en de nieuwste technologie Amerika in de jaren dertig van bendes mitrailleurdesperado’s redde, en later nazi- en Sovjetspionnen ontmaskerde. Een elitekorps van doctorandussen, goed geschoren en in identieke pakken, later ook standaard uitgerust met zonnebril. Koel analytisch, puriteins en atletisch: dat is de FBI van Hoover en Hollywood.

Sinds de jaren zestig is er een tegenbeeld. Daarin is de FBI een macaber staatsorgaan dat fanatiek joeg op links, inclusief de burgerrechtenbeweging, maar verdacht coulant was jegens de maffia, en dat presidenten van Roosevelt tot Kennedy chanteerde met seksuele indiscreties. J. Edgar Hoover is in die versie een paranoïde, reactionaire bullebak die half Washington intimideerde en vrouwen, zwarten en homo's uit de FBI weerde. En dat terwijl paradoxaal genoeg heel Washington al decennia fluisterde dat Hoover zelf homoseksueel was. „He chases men for business and pleasure”, grapte Dorothy Parker. Al schreef zij dat nooit op, want met de rancuneuze Hoover wilde je geen ruzie.

Zo bleef tot in de jaren zeventig geheim dat de FBI-chef samenwoonde met zijn tweede man, Clyde Tolson. De vraag is inmiddels niet meer of hij homoseksueel was, maar of hij seks had. Een roddelbiografie van Anthony Summers schetst het weinig plausibele beeld van een discrete puritein die zich soms in travestie in semipublieke orgieën stortte; Clint Eastwood zegt van zijn kant ‘agnostisch’ te zijn over Hoovers seksuele leven. Maar zijn film is kraakhelder: Hoover onderdrukte zijn seksualiteit. Zijn dominante moeder, die in de film zegt „liever een dode zoon dan een narcis (homo) te willen” , duwde hem in de kast en spijkerde de deuren potdicht. Als het met zijn partner Tolson tot een worsteling en kus komt – een weinig overtuigende scène – gromt Hoover/DiCaprio, de ogen op steeltjes: „Doe dat nooit weer.” Afgedwongen kuisheid die een scène waarin hij in het donker gefascineerd naar sekstapes van John F. Kennedy luistert, zielig maakt. Die had wel lol.

Scriptschrijver Dustin Lace Blake zegt dat hij na Milk met J. Edgar een anti-Milk wilde schrijven. Na het bevrijdende heldenepos over homoactivist Harvey Milk (Oscar voor Sean Penn) is Hoover een trieste man die zichzelf verwerpt. Met slechts één knipoog naar het dubieuze travestieverhaal: de FBI-directeur past na de dood van zijn moeder – hij woonde tot zijn veertigste thuis – snikkend haar jurk. Zo’n scène verbindt Hoover wel met een filmtraditie: recensenten vergeleken zijn strenge moeder – gespeeld door Judi Dench – niet toevallig met de moeder van moordenaar Norman Bates in Psycho (1961). De ‘queer killer’ die in vrouwenkleding aan het moorden (of zelfmoorden) slaat, kom je ook tegen in films als The Tenant (1976), Dressed to Kill (1979) of The Silence of the Lambs (1992).

Een horrorhomo die je het afgelopen decennium nog maar zelden in films aantreft: Hollywood toont de onbegrepen homoseksueel nu liever als held. Lesbische of homo-, bi- of transseksuele rollen zijn bij acteurs zeer populair, want komen snel in aanmerking voor een Oscar. Voor DiCaprio wonnen Sean Penn, Philip Seymour Hoffman, Tom Hanks en William Hurt al Oscars als homo, bij de vrouwen recentelijk Hilary Swank, Nicole Kidman en Charlize Theron als lesbienne.

Tegelijk is het al bijna een cliché dat potenrammers zelf latent homoseksueel zijn. De homo die zijn geaardheid niet accepteert is in films een dieptragische figuur (Brokeback Mountain) en vaak destructief. Denk aan de labiele kolonel Fits in American Beauty (2002), die zijn zelfhaat kanaliseert in geseksualiseerd drillen van zijn zoon Ricky. Of de lege charmeur in The Talented Mr. Ripley, die zijn seksuele impuls omzet in moordlust. De moderne ‘queer killer’ moordt omdat hij zijn geaardheid niet accepteert. Hoover in J. Edgar is eigenlijk een variant op zo’n ‘boomerang bigot’ die zich tegen ‘eigen soort’ keert. Op meerdere fronten zelfs: de film voedt terloops ook het gerucht dat de Hoovers halfbloeden waren met net genoeg blanke genen om voor blank door te gaan.

Toch proef je een accentverschil tussen scriptschrijver en regisseur. In het script van J. Edgar is Hoover een macabere Minotaurus, verschanst in een zelfgebouwd spiegeldoolhof van intriges, leugens en chantage. Clint Eastwood is wat positiever: hij denkt dat Hoover ‘waarschijnlijk’ goed was voor Amerika, tot woede van sommige liberale critici. Voor Eastwood is Hoover niet louter een anti-Milk, een illustratie dat seksuele repressie monsters baart. Die repressie is tevens zijn grootste kracht: had Hoover zonder dat de monomane energie en hardnekkigheid opgebracht om de FBI te scheppen?

In elke grote man schuilt een narcistische maniak. Het maakt J. Edgar Hoover tot een van die eenzame Eastwoodhelden, bouwers van de Amerikaanse Droom. Die droom is, zoals we weten, uit leugens opgetrokken. Maar zonder leugens gebeurt er niets.