De biopic: heldloze heldenlevens

Sterren spelen graag biografische films. Maar het genre is in crisis.

Biopics roepen controversen op. In J. Edgar blijkt de legendarisch directeur van de FBI J. Edgar Hoover een ten diepste gefrustreerde man te zijn, die in toenemende mate een verwrongen en afgeknepen bestaan leidde omdat hij niet overweg kon met zijn seksuele gevoelens. Geen opwekkend beeld voor conservatieve Amerikanen die in hem nog steeds een groot patriot zien.

In The Iron Lady – een titel die hier vooral ironisch is op te vatten – zien we een hoogbejaarde, dementerende oud-premier Margaret Thatcher (Meryl Steep). Volgens sommige conservatieve Britse Lagerhuisleden is dat niet kies. En ook die andere prominente biopic die getipt wordt voor de Oscars, My Week With Marilyn, over de film The Prince and the Showgirl die Marilyn Monroe in 1957 in Engeland maakte met Laurence Olivier, roept discussie op. De bron waarop de film is gebaseerd, het dagboek van Colin Clark die als jongste bediende aan de film meewerkte, zou het werk zijn van een groot fantast.

Al die biopics waren er vermoedelijk nooit gekomen als er geen grote sterren waren geweest, zoals Streep en DiCaprio, die zulke rollen dolgraag spelen. Het is een vorm van acteren die de aandacht op zichzelf vestigt – veel meer dan wanneer de ster een fictief personage speelt. Acteur en publieke figuur vallen nooit helemaal samen, waardoor het acteren zichtbaarder is en goed voor Oscarnominaties.

Toch wringt er iets. De sterren zijn groot, vaak is de filmische omlijsting dat ook groots. Maar de personages zelf zijn nog maar zelden helden, de verhaallijnen ook meestal weinig heldhaftig. Heldenverering heeft een slechte naam, staat al snel gelijk aan dweepzucht. Wat George Orwell ooit zei over heiligen, geldt ook voor helden: ze zijn schuldig tot het tegendeel is bewezen.

Maar de vorm van de biopic is nog grotendeels hetzelfde als in de gloriejaren van het genre, die begonnen in de jaren dertig, toen de acteur Paul Muni er zijn specialisme van maakte nadat hij een Oscar had gewonnen voor zijn rol als Louis Pasteur. In de vorm zijn biopics nog steeds heldenlevens, maar thematisch zijn ze dat al lang niet meer. De films gaan over de prijs van glorie, maar zijn uitermate sceptisch over de glorie zelf.

Wat blijft er uiteindelijk over van al dat najagen van eeuwige roem, macht en publieke waardering? Niet al te veel. Grote ambitie lijkt in films als J. Edgar eerder surrogaat voor een gebrek, zoals tekort aan moederliefde. Er moet iets gecompenseerd worden.

In de meer artistieke hoek van het filmspectrum is wel volop geëxperimenteerd met de vorm van de biopic – nu de simpele opzet van de klassieke filmbiografie op scepsis stuit. Met wisselend resultaat en zonder al te veel invloed uit te oefenen. In I’m Not There van Todd Haynes spelen zes acteurs, onder wie twee vrouwen en een zwart jongetje – Bob Dylan. In Marie Antoinette verbeeldt Sofia Coppola de Franse koningin als een verveelde tiener, met anachronistische popliedjes uit de jaren tachtig op de soundtrack. Maar meer in de mainstream blijven Hollywoodstudio’s heldenlevens zonder helden afleveren. De vorm haakt naar grandeur en pathos, de inhoud van de scènes moet die grandeur en pathos juist doorprikken. Heldenlevens van antihelden.