Criminele jeugd is grootste zorg, aldus korpschefs

Het stijgende aantal criminele jongeren is de grootste zorg in 2012. Dat is de boodschap van de drie korpschefs Pieter Jaap Aalbersberg, Henk van Essen en Frank Paauw van respectievelijk de regio’s Amsterdam-Amstelland, Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond. Gisteren spraken zij hun nieuwjaarstoespraken uit.

Het politiekorps Rotterdam-Rijnland hield afgelopen jaar ruim anderhalf keer zoveel overvallers aan dan in 2010, maar zag het aantal overvallen toch gelijk blijven: 381 in 2011, 380 een jaar eerder. „Er is blijkbaar continue nieuwe aanwas van criminele jeugdigen”, stelt korpschef Paauw. Hij waarschuwt voor het ontstaan van een nieuwe categorie criminelen. „De nieuwe veelpleger is jonger, sluwer en gewelddadiger. Ze zijn uit op status, geldelijk gewin of een kick en voelen zich onaantastbaar.” Volgens Paauw zijn de jonge veelplegers vaak al vroeg bekend bij jeugdzorg en andere instanties. „De aanpak van een veelpleger is vaak op de korte termijn gericht. Jongere broers van een ontspoorde jongen moeten ook vroegtijdig aandacht krijgen voordat zij op het verkeerde pad raken.”

De Haagse korpschef Van Essen riep in zijn toespraak op tot „nog betere” samenwerking met partners als scholen, jeugdzorg en het Openbaar Ministerie om nieuwe aanwas van criminele jongeren te voorkomen.

Een goed voorbeeld van samenwerking is volgens de Amsterdamse korpschef Aalbersberg de aanpak van de zogenoemde top-600. Hierbij worden, in samenwerking met de gemeente en de GGD, zeshonderd criminele jongeren gescreend om herhaling van delicten te voorkomen en ook jongere gezinsleden in de gaten te houden.

Volgens Aalbersberg heeft de Amsterdamse politie steeds vaker te maken met psychiatrische patiënten. Tussen de 20 en 30 procent van het politiewerk heeft te maken met geestelijke gezondheidszorg. Door onder meer bezuinigingen in de zorg en doordat psychiatrische patiënten steeds vaker ambulant worden geholpen en in de wijk blijven wonen, neemt de overlast toe. „Deze zaken komen vaak als eerste op ons bordje terecht, maar wij zijn niet de eerste deskundigen op dit gebied”, zegt Aalbersberg. „Dit is een maatschappelijk vraagstuk, waar we samen iets aan moeten doen.”