Browsers vechten om toegang zoekmachines

Het succes van Google Chrome verandert de browsermarkt. Het gevecht om de webbrowser draait om toegang tot zoekmachines.

Zekerheden bestaan niet, en helemaal niet op internet. Ooit surfde 90 procent van de mensen met Internet Explorer. Nu is dat net iets meer dan de helft, volgens de jaarlijkse cijfers van onderzoeksbureau NetMarketShare. Nadat eerst concurrent Firefox een flinke hap uit het marktaandeel van Explorer nam, was in 2011 de beurt aan Google Chrome: 19 procent van de internetters gebruiken deze browser, die slechts drie jaar geleden uitkwam.

Webbrowsers kosten niets en kunnen allemaal ongeveer hetzelfde. Toch zijn ze belangrijk: de onderlinge concurrentie houdt browserbouwers beter bij de les. Bijvoorbeeld met de invoering van webstandaarden en veiligheidsupdates.

Ook beconcurreren de browsers elkaar op privacymogelijkheden. Als er één een ‘volg me niet-knop’ introduceert tegen ongewenste advertentienetwerken, kan de rest niet achterblijven. En de bliksemsnelle nieuwkomer Chrome zorgde ervoor dat ook de concurrenten nu vlotter hun webpagina’s openen.

Chrome stootte Firefox onlangs van de tweede plaats. Maar Googles verhouding met concurrent Firefox is dubbelzinnig. Mozilla, de maker van Firefox, heeft namelijk een lucratieve advertentiedeal met Google. Waarde: 300 miljoen dollar. Dat zit zo: de browser is een belangrijke sluis voor verkeer naar de Google zoekmachine. Hoewel internetters zelf hun standaard zoekmachine kunnen bepalen, levert een voorkeursplek in de browser toch veel terugkerende bezoekers op. En dus advertentie-inkomsten.

Het is gebruikelijk in Silicon Valley dat technologiebedrijven die elkaar op het ene terrein bevechten op een ander gebied samenwerken. Zo ook Apple en Google. Het zijn gezworen vijanden op de smartphone, maar Google is wel de standaard zoekmachine voor de iPad en de iPhone. Deze deal werd in 2010 verlengd, net voordat de Moeder Aller Patentenoorlogen losbarstte. (NRC)