Apotheose

Vervolgverhaal over acht dames op leeftijd die achter een cijferslot doen aan kleinschalig wonen. In de hoofdrol mevrouw Niterink (85), de moeder van Tosca Niterink.

Tja de laatste aflevering alweer, lieve lezers.

Niet wegens het feit dat er niks meer te vertellen valt over de dames. Integendeel, kleinschalig wonen in Klein Keukenhof blijft inspireren, het liefst zou ik nog jaren doorgaan en almaar dieper doordringen in de materie.

Maar oei!

De redactie van deze courant waarschuwde ons al; ‘demente bejaarden, brand er je vingers niet aan!’

‘Ach’, riep ik eigenwijs, ‘dat zullen we wel eens zien!’ Welnu, ik heb niet veel vrienden gemaakt.

Over dementie hangt een levensgroot taboe! Onze demente bovenlaag, vond ik uit na studie, bestaat pak-’m-beet uit 25 procent van onze tachtigplussers. Dat zijn er nogal wat en dat beloven er nog heel erg veel meer te worden in onze goudglanzende toekomst!

We zijn trots op de ‘wetenschap’ die maakt dat we steeds langer kunnen leven, maar wat doen we met gekke mamma tijdens de Kerst? Laten we haar in het tehuis of kan ze bij ons thuis onder de kerstboom in d’r broek poepen?

Hè bah!

Geen punt als haar klein- of achterkleinkinderen met dezelfde poep hun pampers vullen. Maar als deze kak uit een oude rimpelbips komt ...

Nee, gekke oudjes, daar schrijven we niet over, daar lachen we niet om.

Ze hebben er zelf geen weet van immers.

Dus is het beter niet hun teksten op te tekenen, ze te fotograferen, want ze waren vroeger zo ijdel! Dit hadden ze nooit gewild! Mogen ze nog wel leven? Ergens in de vergetelheid waar niemand ze ziet of ruikt, of kunnen ze maar beter dood?

Tja, ze zeggen af en toe wel lollige dingen, maar soit. Als ik dezelfde teksten had opgetekend in een peuterspeelplaats, van dreumesen die ook geen weet hebben van niks, had iedereen gezegd: ‘ach, wat schattig’.

Als we straks allemaal zo oud worden, mag dan niemand weten hoe we eruitzien? Hoe we ruiken?

‘Nee natuurlijk’, stelde ik mijn familie gerust, ‘ik doe geen luierverhalen, daar gaat het mij niet om, het gaat mij hierom.’

Oudejaarsnamiddag 2011 tijdens de spannende ontknoping van dit vijfluik; mijn moeder en mevrouw Glims zitten op de bank samen een tijdschrift te bestuderen. Ze ontdekken daarin blijkbaar iets grappigs, want ze vallen voorover, hikken en slaan op hun knieën. ‘O God dank!’ prevel ik. Want wat is een mooiere nieuwjaarskaart dan het beeld van twee bejaarde dames die zich op de knieën slaan van de slappe lach op een kleinschalige bank tussen uitbundige kerstversiering. ‘Dag Mam! Wat is er zo verschrikkelijk leuk om te lachen?’

‘Ach.’ Mijn moeder zucht, waarmee ze uitdrukt voor een onmogelijke opgave te staan, dit valt jou niet uit te leggen. Precies zoals ik als puber wist dat ik haar nooit en te nimmer uit kon leggen wat mijn vriendinnetje en ik nu zo reuze grappig vonden. Onbegonnen werk! Ze kijkt mevrouw Glims aan, die haar gezicht in de plooi probeert te houden. Mijn moeder veegt de tranen uit haar ogen en trekt een serieus gezicht. ‘Dit is Tosca, mijn oudste dochter’, piept ze. Beide dames gillen het uit.

‘Kijk mam’, probeer ik mezelf belangrijk te maken, ‘je staat in de krant, heb ik geschreven.’

‘Welke krant?’

Het NRC.

‘Zo zo’, zegt ze, ‘kijk, mevrouw Glims, dat ben ik in de krant.’

‘Jij in de krant? In welke krant?’

‘Het NRC.’

‘Toe maar, da’s mijn krant. Kende u het NRC al?’ Mevrouw Glims kijkt me onderzoekend aan. ‘Of heeft u hem hier ontdekt?’

Dat bedoel ik.

Tekst: Tosca Niterink

Foto:Anita Janssen