Ze heeft nu rust, een fiets en een kanarie

Aan het begin van het nieuwe jaar belicht NRC Handelsblad gebeurtenissen die in 2011 het binnenlandse nieuws domineerden. Vandaag: Sahar, die niet werd uitgezet.

Het lijkt alsof ze de eerste vraag van het interview een moeilijke vindt. Sahar Hbrahimgel aarzelt even, ze draait haar blik weg naar het plafond. Met haar vingers, waarvan ongeveer de helft roze gelakte nagels heeft, veegt ze haar zwarte haar achter haar grote zilveren oorringen. „Het gaat, euh, wel goed” met haar en haar familie. Ze giechelt.

2011 heeft alles veranderd voor Sahar (15), juist door wat er niet veranderde. Ze zit hier nog, in het biologielokaal van haar gymnasium in Leeuwarden. Ze hoeft niet terug naar Afghanistan, het land dat haar ouders in 2000 ontvluchtten met hun zoon Nawid, dochtertje Sahar en de baby Nawab.

Wat er wel veranderde: de dreiging om uitgezet te worden die boven haar hoofd hing, de constante onzekerheid, is verdwenen. In april besloot minister Gerd Leers (Immigratie en Asiel, CDA) dat het gezin Hbrahimgel in Nederland mocht blijven omdat Afghanistan te gevaarlijk is voor meisjes als Sahar. „Verwesterd” en „vernederlandst” omschreef de minister haar in zijn motivatie om het uitprocederen van het gezin te staken.

Sahar was in de maanden daarvoor het gezicht geworden van alle kinderen die in Nederland verstrikt zijn geraakt in de jarenlange asielprocedures van hun ouders. Ze had niet zelf de publiciteit gezocht. Haar klasgenoten hadden een ‘Sahar moet blijven’-campagne opgezet, compleet met website en politieke petitie. Het begon met Omroep Friesland en al snel stonden alle kranten en zenders voor de deur van haar school. „Dat was een rare ervaring”, zegt ze nu. „Gaat het nou echt allemaal om mij”, vroeg ze zich af.

In het begin hoorde, zag en las ze alles wat er over haar verscheen. „Dan las ik van die anonieme reacties op GeenStijl dat we moesten oprotten, over dat mijn moeder vast een hoofddoek heeft en mijn vader een baard. Nou dat is dus echt niet zo. Toen besloot ik dat ik me daar beter niet mee bezig kon houden. In het echt zouden die mensen dat vast niet durven zeggen.”

Want de meeste directe reacties waren hartverwarmend. Ze kreeg Hyves-berichten van dankbare Afghaanse meisjes die nu ook in Nederland mogen blijven. En een brief van een medewerkster van de IND die haar baan had opgezegd omdat ze niet meer wilde meewerken aan de uitzetting van kinderen zoals Sahar. „Op straat kwamen mensen naar mij toe: ben jij dat meisje van tv? Ik hoop dat je mag blijven.”

Wat dat betreft is de boel inmiddels gekalmeerd. Ze wordt niet meer continu herkend en er staan geen cameraploegen meer op de stoep voor het Stedelijk Gymnasium. Maar het opbouwen van een normaal leven is eigenlijk nog maar net begonnen. „Er moet van alles geregeld worden, een bankrekening, een uitkering, mijn moeder wil gaan studeren”, somt Sahar op.

Begin december verhuisde het gezin van het asielzoekerscentrum in Sint Annaparochie naar een huurhuis in Leeuwarden. „We zitten niet meer opgehokt in een caravan. Ik heb een veel grotere kamer en mijn broertjes hebben ook allebei een eigen kamer.” Er zijn nog niet genoeg meubels om het huis te vullen, maar Sahar is druk met het inrichten. „Ik heb net een witte muurschildering gemaakt op een blauwe muur in mijn kamer, een soort Japanse kersenbloesem.”

De verblijfsvergunning, het huis en de grote kamer geven haar de rust die ze eerder niet had. „Ik slaap beter.” Het asielzoekerscentrum was nooit een plek waar ze gelukkig van werd, maar na het nieuws dat het gezin Hbrahimgel mocht blijven, werd het er nog ongemakkelijker. „Sommige mensen denken: waarom mag zij blijven en wij niet? De familie naast ons wilde daarom niet meer met ons praten. Zij kwamen uit Irak en wachtten al even lang als wij.”

De verhalen van anderen die in onzekerheid leven raken haar. Die van Mauro en Yossef bijvoorbeeld, die na haar in de nationale schijnwerpers kwamen te staan. Die van anderen in het asielzoekerscentrum waar ze woonde. „Maar we zijn allemaal verschillend, de zaken zijn niet zomaar te vergelijken.” Sahar wil niet dat mensen denken dat zij een verblijfsvergunning kreeg omdat ze toevallig een slim meisje is dat het goed doet op televisie. „Wij mogen blijven omdat het in Afghanistan echt te gevaarlijk is.”

Nu ze weg is uit het asielzoekerscentrum, hoeft ze niet meer telkens opnieuw afscheid te nemen. Vriendinnen die ze in Sint Annaparochie maakte, verdwenen steeds weer. Of omdat ze terug moesten, of omdat ze juist in Nederland mochten blijven. „Toen ik klein was vond ik afscheid nemen heel moeilijk.”

Haar vriendinnen van school kan ze nu voor het eerst thuis ontvangen. Iets wat ze in het asielzoekerscentrum nooit deed. En ze hoeft niet meer elke dag, alleen, een half uur heen en een half uur terug met de bus van Sint Annaparochie naar school. Ze gaat nu op de fiets. Die heeft ze gekregen van een meneer uit Den Haag die in april in deze krant las dat ze er geen had.

„Oh, en weet je wat we nu ook hebben? Een huisdier! Dat mocht niet in het azc.” Sahar giechelt opnieuw als ze vertelt wat voor dier het is: een kanarie.

Emilie van Outeren