Poldermodel biedt een dijk van een kans

Hoofdzetels van grote concerns zijn belangrijk voor de Nederlandse economie, blijkt uit onderzoek. Maar hoe aantrekkelijk is Nederland nog voor internationaal opererende bedrijven? „Er liggen uitgelezen kansen op het gebied van duurzaamheid.”

Langzaam raakt hij leger, de kantoortoren aan het Weena 455 in Rotterdam. Voedingsconcern Unilever bezette er ooit negen verdiepingen. Nu nog twee. Hoe lang duurt het voordat het concern zijn hoofdkantoor helemaal uit Nederland weghaalt?

Het is de globalisering in actie, en in 2012 zal die gewoon doordenderen. Multinationals zoeken nieuwe groeimarkten om aan te boren. China, India, Brazilië, Rusland. De groei van de consumptie zit daar, en niet meer in het Westen. Internationaal opererende bedrijven volgen de trend. Ze verplaatsen hun fabrieken naar Azië, Latijns-Amerika. Ook hun onderzoekslaboratoria gaan die kant op.

Het speelt al jaren. Nederland loopt mee voorop in deze offshoring. Hoe ver gaat dat? Geven de eurocrisis en de stilvallende consumptie dit jaar het zetje aan Shell, of Philips, of Wolters Kluwer om ook hun hoofdkantoor op te pakken en te verkassen? En als dat gebeurt, hoe erg zou dat zijn?

Heel erg, zegt Hans Schenk, hoogleraar economische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Hij waarschuwt voor zo’n scenario. „We moeten er alles op zetten om de hoofdkantoren in Nederland te houden”, zegt hij. Ze leveren volgens hem een te belangrijke bijdrage aan de economie.

Het blijkt onder meer uit een studie van drie jaar geleden van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. De grootste honderd hoofdkantoren in Nederland gaven in 2008 gezamenlijk 4,5 miljard euro uit aan ondersteunende zakelijke dienstverlening – consultants, bedrijfskundigen, juristen, fiscalisten. Ook spendeerden ze een miljard euro aan onderzoek en ontwikkeling, ze gaven 100 miljoen euro uit aan programma’s op middelbare en basisscholen, en financierden 325 leerstoelen aan universiteiten. Reden genoeg voor Nederland om de hoofdkantoren van de multinationals te willen behouden.

Maar Rob van Tulder, hoogleraar internationaal management aan de Erasmus Universiteit, gelooft er niks van dat de multinationals snel zullen vertrekken. Ook al dreigen ze daarmee. Nederland biedt eenvoudigweg te veel voordelen. De onzekerheden van een vertrek wegen daar niet tegen op. Wat krijgen de multinationals ervoor terug in een ander land? „Er zitten enorme kosten aan zo’n overheveling van een hoofdkantoor”, zegt Van Tulder.

Toch zijn er steeds dreigementen. Topman Feike Sijbesma van chemieconcern DSM zei vorig jaar tijdens een lezing dat ooit de scheepsbouw en de textiel uit Nederland waren verdwenen, en dat hetzelfde dreigt te gebeuren met de chemie, de productie van halfgeleiders en tal van andere producten. Waarmee hij suggereerde dat DSM een vertrek uit Nederland overweegt.

Vóór Sijbesma hadden de topmannen van verzekeraar Aegon en bankverzekeraar ING al met vertrek van het hoofdkantoor gedreigd. En een onderzoek uit 2009 van de Rotterdamse Erasmus Universiteit had uitgewezen, dat van de honderd grootste hoofdkantoren in Nederland er twee verwachtten binnen vijf jaar weg te zijn. Vijftien hadden aangegeven delen van het hoofdkantoor te willen verplaatsen. Klinkt dat niet zorgwekkend?

Van Tulder neemt de uitkomsten van het onderzoek serieus, en ook de dreigementen van de diverse topbestuurders. Maar hoeveel ondernemingen hebben de afgelopen decennia echt de stap genomen uit Nederland te vertrekken? Maar één: uitgever VNU. In 2005 verkaste het met zijn hoofdkantoor naar New York.

Van Tulder ziet de dreigementen eerder als onderdeel van een spel. Multinationals zijn voortdurend in onderhandeling met de politiek en de vakbonden. Over loonontwikkeling, belastingvoordelen, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, ontslagrecht. Ze spelen het spel hard, zegt Van Tulder. „Internationaal ondernemen is niet voor mensen met zwakke knieën.”

Volgens Van Tulder zullen multinationals pas echt over vertrek gaan nadenken als ze het idee hebben dat ze hun omgeving niet meer kunnen beïnvloeden. Daar is in Nederland geen sprake van. Beïnvloeden lukt hen nog volop. Zo hebben de multinationals vorig jaar via werkgeversorganisatie VNO-NCW gelobbyd voor een zwaarder ministerie van Economische Zaken. Dat kwam er – de portefeuilles landbouw en innovatie werden toegevoegd. En ze wilden dat Maxime Verhagen er minister werd. Hetgeen geschiedde.

In de globaliseringsstrijd moet Nederland niet alleen kijken hoe het multinationals kan houden, het moet ook aantrekkelijk genoeg zijn om buitenlandse bedrijven aan te trekken. Nederland scoort op veel gebieden goed, maar moet tegelijk op zijn hoede zijn, zegt Robin Fransman.

Fransman is adjunct-directeur van het Holland Financial Centre. Dat is een publiek-private samenwerking van overheid, toezichthouders en tal van bedrijven, waaronder banken, verzekeraars en pensioenfondsen. Volgens hem zijn de fiscale regelingen in Nederland aantrekkelijk, is de infrastructuur goed en de overheid betrouwbaar.

Wat betreft het aantrekken van buitenlandse hoofdkantoren is het beeld versnipperd. Het is een definitiekwestie, zegt Fransman. Hij praat liever niet over hét hoofdkantoor. Er zijn diverse functies. Die moet je uitsplitsen. Je hebt marketing en verkoop, distributie, onderzoek en ontwikkeling, financiële zaken. Wat betreft marketing en verkoop, en ook distributie, doet Nederland het goed, zegt Fransman. Het komt door de Rotterdamse haven en Schiphol, die het tot een belangrijk doorvoerland maken.

Maar op andere functies scoort Nederland slecht, zegt Fransman. Hij noemt met name onderzoek en ontwikkeling, en ook productie. Het is een bekende zwakte: Nederland heeft te weinig technici en bèta’s. Ook de Nederlandse multinationals klagen daar al jaren over. Volgens Fransman zal juist dát een steeds belangrijker argument worden voor bedrijven als ze moeten beslissen ergens een nieuwe vestiging op te zetten: is er voldoende talent? „Mensen, mensen, mensen. Daar draait het steeds meer om”, zegt Fransman.

Wil Nederland daarop inspelen, dan is het hoog tijd dat het de kwaliteit van het onderwijs verbetert, vindt Fransman. „Maar het kabinet is voorzichtig”, zegt hij. Vorig jaar zat hij in het Topteam Hoofdkantoren, dat adviezen uitbracht aan minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over hoe Nederland zijn vestigingsklimaat aantrekkelijker kan maken voor zowel de eigen multinationals als voor buitenlandse bedrijven.

Het eindrapport somt een hele reeks adviezen op. Een betere promotie en branding van Nederland in het buitenland, verbeteren van het vennootschapsrecht, veel meer aandacht voor onderzoek en ontwikkeling, vermindering van de administratieve lasten. „We hadden ook een advies over het onderwijs, maar dat heeft het niet gehaald”, zegt Fransman.

Het voorstel was om studies in te delen in drie categorieën. De eerste categorie – voor studies waar de economie weinig behoefte aan heeft – zou via gericht beleid ontmoedigd moeten worden. Voor de tweede categorie – studies met neutraal arbeidsmarktperspectief – was geen speciaal beleid nodig. De derde categorie – studies waarvoor in de markt een krapte dreigt die bedreigend is voor de economische groei – zou actief gestimuleerd moeten worden. „Dat heeft het kabinet niet aangedurfd”, zegt Fransman.

Hoogleraar Schenk vindt ook dat het onderwijs beter moet, maar minstens zo belangrijk vindt hij het dat Nederland zijn economie niet meer zo openstelt voor buitenlandse overnames. Jarenlang wilde de politiek vooroplopen in de liberaliseringsgolf en bouwde zij beschermingsconstructies tegen buitenlandse overnames af. Met als gevolg dat Nederlandse bedrijven – Hoogovens, KLM, DAF, Numico, Organon – in buitenlandse handen kwamen.

Op basis van eigen onderzoek weet Schenk dat juist buitenlandse ondernemingen hun onderzoek en ontwikkeling in Nederland amper hebben laten groeien, of erin hebben gesnoeid. En dat is dan weer een belangrijke reden dat Nederland al jaren zo slecht scoort wat betreft uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling.

Landen als Finland, Zweden en Zwitserland hebben deze uitgaven de afgelopen jaren fors opgeschroefd, naar 2,5 of zelfs 3 procent van het bruto binnenlands product. In Nederland is het min of meer gelijk gebleven op zo’n 1,5 procent. Met name de uitgaven van het bedrijfsleven aan onderzoek en ontwikkeling steken schril af tegen die in het buitenland.

Minister Verhagen wil dat percentage omhoog krijgen. Een van zijn voorstellen is om voor bedrijven de kosten voor onderzoek en ontwikkeling aftrekbaar te maken voor de winstbelasting.

Schenk ziet een heel andere oplossing. Ondernemingen moeten niet langer worden aangemoedigd alleen te sturen op aandeelhouderswaarde. Ze moeten meer maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Net als de overheid. Die moet zijn publieke taken serieuzer nemen en het beleid meer richten op duurzame energie, vervoer, milieu en onderwijs. „Daar liggen uitgelezen kansen voor een duurzame economie.”

Ook hoogleraar Van Tulder ziet voor Nederland grote kansen op het gebied van duurzaamheid. Er is wereldwijd een groeiende vraag naar alternatieven voor olie en kolen, naar goeie waterzuivering, recycling. Het zijn problemen die niet alleen door het bedrijfsleven, de politiek of niet-gouvernementele organisaties kunnen worden opgelost. Ze moeten het samen doen.

Dit schreeuwt om een soort polderaanpak. Is dat niet juist waarom Nederland bekendstaat? „Als we het poldermodel op het gebied van duurzaamheid internationaal weten te verkopen, dan hebben we een dijk van een concurrentievoordeel”, zegt Van Tulder. Daar zullen ook de Nederlandse multinationals van profiteren.

Marcel aan de Brugh