IJsland toont eurozone hoe het ook kan

Drie landen, drie rampen, drie verhalen. De crisis trof IJsland, Ierland en Letland hard. Elk land kwam met een andere oplossing.

Het grote nadeel van ‘de economie’ is dat je het niet onder je arm mee kunt nemen naar het laboratorium ter observatie. Economen bestuderen gedrag dat moeilijk van zijn omgeving kan worden losgemaakt. Vrijwel alle studies hanteren noodgedwongen als vertrekpunt dat alle andere omstandigheden gelijk blijven.

Het was voor de onderzoekers van de Brusselse denktank Bruegel daarom een buitenkansje dat ze niet aan zich voorbij konden laten gaan: drie vergelijkbare landen die een crisis ingaan en daar elk op hun eigen manier beleidsmatig op reageerden. Wat kunnen we daar van leren?

IJsland, Ierland en Letland waren vóór de crisis van 2008 drie snelgroeiende economieën. Vooral hun banken groeiden hard, en het werd gefinancierd met een explosie van krediet. Nog voordat IJsland ten onder ging kwalificeerde econoom Willem Buiter het eiland als een „drijvend hedge fonds”.

Na de klap waren economen volgens een studie van Bruegel eensgezind over de oplossing. Het algemene loon- en prijspeil zou in de probleemlanden moeten dalen. Maar dat kan op verschillende manieren. IJsland genoot het voordeel van een eigen munt en liet de kroon de helft in waarde dalen. Ierland kon dat niet als euroland. Letland kon nog wel besluiten om de koppeling van zijn munt aan de euro los te laten, maar koos daar niet voor. Ierland en Letland waren aangewezen op de zogeheten interne devaluatie: de meest pijnlijke vorm van afslanking die Europese leiders ook in Zuid-Europa voor ogen hebben.

Maar hakken in de kosten en het verlagen van de lonen is lastiger dan je prijspeil via wisselkoers of inflatie aan te passen. In Letland gingen de salarissen van ambtenaren ingrijpend omlaag, maar de lonen in het bedrijfsleven daalden nauwelijks. Ierland verhoogde vooral zijn productiviteit in plaats van zijn kosten te verlagen – ook een manier.

De banken van IJsland waren zó groot, dat autoriteiten niet anders konden ze te laten omvallen. En omdat de dalende IJslandse munt in een kapitaalvlucht naar het buitenland resulteerde, wierp de overheid barrières op: restricties voor burgers en bedrijven om geld te wisselen.

De Ieren lieten hun banken niet onderuitgaan. Zij besloten garant te staan voor de meeste verplichtingen. De staatsschuld nam zo meer dan een derde toe. Omdat in Letland tweederde van het bankwezen uit het buitenland kwam, werd het land op dat vlak het minst hard getroffen.

De slotsom. IJsland werd in de crisis zonder twijfel het hardst getroffen, maar lijkt weinig negatieve gevolgen te hebben ondervonden van de kapitaalrestricties die het instelde. De werkgelegenheid in IJsland slonk het minst. Het wijst er volgens onderzoeker Zsolt Darvas van Bruegel op dat het failliet laten gaan van ongezonde banken een juiste keuze kan zijn. De stap van de Ierse autoriteiten om borg te staan, heeft hen veel gekost terwijl andere landen hiervan profiteerden.

Letland koos het meest voor sanering van de overheidsbegroting. Het wordt daar door Nederlandse politici regelmatig om geprezen, maar zag zijn economie tussen 2007 en 2010 wel het hardste krimpen. Ook de werkloosheid liep bij de Letten het snelste op. Het verlagen van de kosten van de overheid, zoals Letland deed, was economisch gezien weinig effectief.