De aardedonkere maanden

In de winter tijdens de ‘poolnacht’ is Spitsbergen maandenlang in duister gehuld.

Schrijver Imco Lanting bezocht het in donker gehulde eiland op de Noordpool, terwijl de ijsberen regelmatig uit het niets opduiken.

Een doordeweekse morgen in december in Longyearbyen, de noordelijkste plaats op aarde waar meer dan duizend mensen wonen, zo’n 1.800. Buiten is het donker, koud (min acht) en er is bijna niemand op straat. Er ligt sneeuw, de straten zijn spekglad. Een parkeerplaats vol sneeuwscooters. In sommige huizen brandt licht, er tussendoor is de noordelijkste kerk ter wereld te zien. Mensen maken zich klaar voor de dag, die alleen op de klok zichtbaar is. Een jongetje, dik ingepakt en een volle rugzak torsend, ploegt door de sneeuw. Hij zakt er regelmatig tot z’n knieën in weg, valt dan zijwaarts, krabbelt overeind en vervolgt zijn weg, waarschijnlijk naar school. Een doodgewone school op een bizarre locatie. Op een globe moet je bovenop kijken.

Licht zal het vandaag niet worden, en ook morgen niet, en volgende week en ook volgende maand nog niet. Dit is de poolnacht, die drie maanden per jaar het leven in deze gemeenschap in de greep houdt. Kan ik hier als bezoeker eigenlijk wel tegen? En hoe zit het met de bewoners? Het besef van de permanente duisternis zal de komende dagen regelmatig als een schok bij me binnenkomen. Ik zou hoogstpersoonlijk dit stukje aarde een beetje naar het licht willen draaien. Maar niet dus. Mijn hele zelfverkozen verblijf zit ik in een donkere cocon.

De straten en huizen van Longyearbyen zijn gezellig verlicht, maar verder kijk je naar alle kanten in een aardedonker gat. Alleen als het onbewolkt is, zijn de contouren van de bergen die het plaatsje aan drie kanten omgeven als witte spoken te ontwaren. Bij die bergen begint ook gelijk de Arctische wildernis. Zonder geweer is het onverantwoord om je buiten Longyearbyen te begeven. IJsberen duiken hier regelmatig uit het niets op, de inwoners schromen niet om je uitgebreid te vertellen over incidenten en drama’s die zich in de loop der jaren hebben afgespeeld in deze omgeving, met soms dodelijke afloop. De ijsbeer boezemt ontzag in en zorgt dat iedereen op z’n hoede is, zeker gedurende de poolnacht. Binnen de grenzen van het dorp is de ‘ijsberenwacht’ continu actief, toch voel ik me op onverlichte stukken niet helemaal op m’n gemak. Waar zit die ijsberenwacht, kunnen ze door het duister heen kijken?

De gids met wie ik vandaag op een sneeuwscooter en vervolgens op een hondenslee tochten buiten het dorp maak, laadt zijn geweer. De trips gaan door Adventdalen, het dal dat tot diep in het land doordringt. Het is halfbewolkt en de maan piept soms achter de wolken vandaan, waardoor de omgeving een mysterieuze gloed krijgt. De besneeuwde bergen zijn nu zichtbaar en er is kans op noorderlicht. De stilte is immens en de sneeuwscooter mag dan een efficiënt vervoermiddel zijn, de herrie die hij maakt, snijdt pijnlijk door de magie van dit duistere poollandschap.

Stiekem vind ik het heerlijk om even los te gaan en met 60 kilometer per uur over de ijsvlakte te scheuren, eigenlijk is het heiligschennis. Nee, dan is de hondenslee passender bij de omgeving. Het terrein waar de tientallen husky’s ons in kooien opwachten, is een aantal kilometer buiten Longyearbyen, in the middle of nowhere. De honden worden in hiërarchische volgorde in tweetallen voor de slede gebonden, waardoor ze buiten zinnen raken. Ze janken, blaffen, springen tegen elkaar op, sjorren aan de sledes die aan een paal vaststaan. Op het moment van vertrek houdt de hysterie acuut op. Alleen het zoeven van de slede over de sneeuw en het ijs en af en toe een commando van de gids is nog te horen. Verder is er slechts de duisternis en de omgeving in vage contouren. We passeren een paar rendieren die doodgemoedereerd met hun poten de sneeuw wegschrapen om bij het gras eronder te kunnen komen. Ze storen zich niet aan het hoofdlampje die de gids heeft aangedaan om de dieren als ongevaarlijk te identificeren. We zouden maar net een ijsbeer over het hoofd zien.

Uren later, terug in het verlichte dorp waar op het pleintje voor de grootste winkel, Svalbardbutikken, de per boot aangevoerde kerstboom staat, is het kiezen tussen de paar eetgelegenheden die geen fastfood als pizza’s en hamburgers serveren. Huset, het voormalige mijnwerkersonderkomen, is de sjiekste gelegenheid en ook het Polar Hotel biedt exquise gerechten. In het wat eenvoudigere restaurant Kroa wisselt het dagmenu zo’n beetje elk uur. De zeehond is net van het bord geveegd – Noorwegen vaart op het gebied van dierenwelzijn een nogal eigenzinnige koers – en rendiersteak is ervoor in de plaats gekomen. Gelukkig maar, zo krijg ik geen scheve blikken na thuiskomst.

Vanachter het raam kijk ik recht in het gezicht van de opgezette ijsbeer in Skinnboden aan de overkant, die je voor een slordige 40.000 euro mee naar huis mag nemen. Een bedreigd dier mag wat kosten. Aan het icoon van de Noordpool ontkom je hier overigens geen kwartier, in alle openbare gebouwen, van supermarkt tot ziekenhuis, staat er een. Na het eten slaat de vermoeidheid toe, het gebrek aan daglicht drukt op m’n gestel, maakt m’n gemoed zwaar. Een miniem onderscheid tussen dag en nacht had misschien al uitgemaakt. Maar nee, dat is er dus niet.

In Café Svalbar ontmoet ik de volgende middag de Nederlandse studenten Jochem en Anouk. Sinds augustus studeren ze aan de universiteit van Longyearbyen Arctische Geologie. Op de campus waar ze met tientallen internationale studenten wonen, bestaat in deze donkere tijd geen bioritme meer. Anouk lacht. Haar biologische klok is compleet van slag, vertelt ze. „Soms slaap ik dertien uur, de volgende nacht kom ik helemaal niet in slaap en op de universiteit is het heel normaal dat mensen een uurtje onder een tafel gaan liggen dutten. Sommige huisgenoten dineren ’s nachts en ikzelf zet ’s ochtends na het ontbijt een filmpje op. Het maakt allemaal niet uit, het wordt toch niet licht.”

Jochem is blij dat hij bijna naar huis kan. „Ik ben helemaal klaar met de duisternis. Ik kan er heel slecht tegen, ben inactief en word er af en toe echt down van. Alleen als het even helemaal helder is en ik zie de bergen weer enigszins, dan begrijp ik weer waarom ik hiernaartoe kwam.”

En inderdaad, het leven in Longyearbyen in het donker voelt als een veeg, een schim en ergens ook claustrofobisch. De zon lijkt opgelost, we zijn de laatst overgeblevenen na de apocalyps. Iedereen op straat loopt in een dikke winterjas, muts diep over het hoofd getrokken en is onherkenbaar. Een fysieke, maar ook mentale isolatielaag. De boerka van het hoge noorden. De zwarte koepel van de lange, lange nacht over het toch al geïsoleerde dorp maakt het leven tot een drie maanden lang verblijf in een vrijwel afgesloten doos. In die doos is er het dagelijkse leven, de school, de kinderopvang, het ziekenhuis, het zwembad en de plaatselijke krant.

De maan is in de poolwinter de enige natuurlijke lichtbron voor de kleine bevolking van Spitsbergen. Die bestaat uit een mix van vele nationaliteiten. Russen, Thai, Iraniërs, Chinezen, Amerikanen en een handvol Nederlanders, die poolonderzoek doen, in de kolenmijn werken of in het toerisme. Werken is verplicht, werklozen en gepensioneerden moeten vertrekken. Ook de doden krijgen een enkeltje vasteland. De moderne mens realiseert zich dat ze te ver van de natuur is afgedwaald om er zonder schade aan te richten nog in op te kunnen gaan. Weggaan als je hier niets te zoeken hebt, is daarom de enige optie.

Spitsbergen is geen locatie voor sentimentele mensen, de inwoners die ik spreek laten de lange periode van duisternis ogenschijnlijk gelaten over zich heen komen en benadrukken vooral de knussigheid in de winter. Er zijn nu bijna geen toeristen, het dorp is even van henzelf. Werk, feestjes en veel kunstlicht houden hen op de been. Eind januari zal het eerste streepje schemer weer te zien zijn. Dan breekt de volgens velen mooiste periode van het jaar aan, waar in het toenemende licht het besneeuwde Spitsbergen een wonderschone blauwpaarse gloed krijgt. Al snel komen de duizenden toeristen en nadat begin maart de zon definitief boven de horizon is verschenen, zal die niet meer verdwijnen tot in het najaar. In die tijd is het vier maanden 24 uur per dag licht. Maar zo ver is het nog niet. Eerst is het nog negenhonderd lange uren aardedonker.

Imco Lanting is schrijver/journalist op het gebied van reizen, cultuur en wetenschap.