Browsers vechten om toegang tot zoekmachines

Het succes van Google Chrome verandert de browsermarkt, waar Microsoft altijd de lakens uitdeelde. Het gevecht om de webbrowser draait vooral om toegang tot zoekmachines.

Zekerheden bestaan niet, en helemaal niet op internet. Ooit surfde 90 procent van de mensen met Internet Explorer. Nu is dat net iets meer dan helft, volgens de jaarlijkse cijfers van onderzoeksbureau NetMarketShare.

In 2010 sloot Microsoft nog een moeizaam gevecht af met Europese Commissie, over de almacht van zijn webbrowser die standaard op elke Windows-pc stond. Nadat eerst concurrent Firefox een flinke hap uit het marktaandeel van Explorer nam, was in 2011 de beurt aan Google Chrome. Nu gebruikt 19 procent van de internetters deze browser, die slechts drie jaar geleden uitkwam.

Veel mensen vragen zich af waarom webbrowsers belangrijk zijn: ze kosten niets en kunnen toch allemaal ongeveer hetzelfde? Klopt, maar de gezonde onderlinge concurrentie houdt browserbouwers beter bij de les. Bijvoorbeeld met de invoering van webstandaarden en veiligheidsupdates. Hackers vinden om de haverklap lekken in browsersoft-ware en dat vergt regelmatige, en vooral snelle, reparaties.

Ook beconcurreren de browsers elkaar op privacymogelijkheden. Als er één een ‘volg me niet-knop’ introduceert tegen ongewenste advertentienetwerken, kan de rest niet achterblijven. En de bliksemsnelle nieuwkomer Chrome zorgde ervoor dat ook de concurrenten nu vlotter hun webpagina’s openen.

Google laat zich graag voorstaan op de snelheid waarmee het kwetsbaarheden repareert. Hoeveel haast Google maakt zou je kunnen afleiden aan de versienummers: in drie jaar tijd zit Chrome al op versie 16. Ter vergelijking, Firefox en Internet Explorer hebben nu versie 9, Apple houdt het bij Safari 5. Aan de andere kant zegt een versienummer niets over de kwaliteit van de upgrade.

Chrome stootte Firefox onlangs van de tweede plaats. Eric Schmidt, de voormalige topman van Google, maakt er tijdens zijn recente tour door Europa een running gag van, door in elke toespraak en elk interview te herhalen: „Had ik al gezegd hoe snel en veilig Chrome is?”

Maar Googles verhouding met concurrent Firefox is dubbelzinnig. Mozilla, de maker van Firefox, heeft namelijk een lucratieve advertentiedeal met Google. Dat zit zo: de browser is een belangrijke sluis voor verkeer naar de Google zoekmachine. Hoewel internetters zelf hun standaard zoekmachine kunnen bepalen, levert een voorkeursplek in de browser toch veel terugkerende bezoekers op. En dus advertentieinkomsten.

Afgelopen maand werd de Google/Firefox-deal verlengd voor drie jaar. Het levert Mozilla naar verluidt 300 miljoen dollar per jaar op. Vorig jaar kreeg Mozilla maar zo’n 100 miljoen dollar per jaar. Het bedrag valt hoger uit omdat nu ook de concurrerende zoekmachines van Yahoo en Microsoft meeboden op een plek in de Firefox-zoekbalk.

Google had er wel 300 miljoen per jaar voor over om te voorkomen dat Bing veel armslag krijgt. Microsoft gebruikt immers ook zijn webbrowser Internet Explorer om de eigen zoekmachine te promoten.

Het is gebruikelijk in Silicon Valley dat technologiebedrijven die elkaar op het ene terrein bevechten, op een ander gebied samenwerken. Zo ook Apple en Google. Het zijn gezworen vijanden op de smartphone, maar Google is wel de standaard zoekmachine voor de iPad en de iPhone. Deze deal werd in 2010 verlengd, net voordat de Moeder Aller Patentenoorlogen uitbarstte.

Terwijl Apples browser Safari op computers weinig voorstelt (minder dan 5 procent) is Apples iOS met 52 procent het meest gebruikte mobiele besturingssysteem op internet. Daar kan Android (van Google) een puntje aan zuigen. Maar door de deal met Apple heeft Googles zoekmachine op het mobiele web een marktaandeel van 92 procent. Goed voor zo’n 2,5 miljard dollar aan extra jaarlijkse advertentieomzet, met vriendelijke dank aan alle iPhone-gebruikers.

Marc Hijink