Supermacht China is op zoek naar ruimte

Schuilen er militaire ambities achter het Chinese ruimtevaartprogramma dat vorige week is gepresenteerd? Is het gevaarlijk dat Chinezen nu onze grond, voedselproducten, technologie en staatsschulden opkopen? Zo ongeveer de hele wereld is met China bezig. De vragen zijn legio.

Maar op zijn beurt is China vooral met zichzelf bezig. De dilemma’s nopen daartoe. Kan het sociale contract, waarbij de communistische partij gehoorzaamheid eist in ruil voor groeiende welvaart, standhouden als de mondiale economie in een recessie wegzakt? Of moet de partij de teugels nu vieren om de bevolking politiek lucht te geven?

Dat zijn geen abstracte vragen. De sociale onrust is concreet. Het blijft niet bij de opstand in het dorp Wukan, waar de bewoners te hoop liepen tegen de willekeur van de lokale partijfunctionarissen en die strijd ook wonnen. Dagelijks is het raak. Meestal gaat het om landjepik, milieuvervuiling, werkomstandigheden, corruptie of loon. Steeds vaker winnen weerspannige burgers het van de macht. Zo gingen de arbeiders van een beeldschermfabriek van LG na Kerst met succes in staking tegen de korting op hun eindejaarsbonus. In 2011 heeft de Amerikaanse Council of Foreign Relations in China 100.000 protestacties gesignaleerd.

Het antwoord op de onrust is complex. Door de recessie loopt zowel de export als de import met eenderde terug en wordt voor 2012 ook een daling van de investeringen voorzien. Naar schatting zal de economie volgend jaar ‘slechts’ met 8,0 tot 8,8 procent groeien. Is dat nog wel voldoende om de materiële verlangens van arbeiders, boeren en burgers te bevredigen? Tegelijkertijd moet de economie worden afgekoeld, om te voorkomen dat de inflatie het sociale contract uitholt of de vastgoedbubbel knapt.

Expansie in de regio of de ruimte kan een politieke uitweg bieden. Een project om van China ook een militaire supermacht te maken, ligt voor de hand. Buitenlandse politiek als bliksemafleider voor binnenlandse problemen: het is een klassieker. Maar elke oplossing waarvoor de Chinese regering kiest, creëert ook weer nieuwe problemen.

Dat wil niet zeggen dat de positie van de communistische partij in het geding is. Binnen de partij, waarbij krap 10 procent van de volwassenen is aangesloten, kunnen de belangentegenstellingen tussen stad en land of tussen onderklasse en middengroepen nog enigszins in goede banen worden geleid. Bovendien heeft de Chinese partij, in tegenstelling tot bijna alle andere autoritaire regimes, haar lot niet verbonden met één persoon. Als secretaris-generaal Hu Jintao in 2012 volgens het schema van de partij aftreedt, blijft de continuïteit gewaarborgd. Maar de vijfde generatie leiders na ‘alleenheerser’ Mao Zedong krijgt het wel lastiger.