Overleven op pijnbank van bloedhete Argentijnse vlaktes

Frans Verhoeven (45) rijdt in de Dakar Rally zonder angst, al kent de motorcoureur de gevaren van de woestijnrace. „Ik zet geen knop om. Het is een automatisme.”

Voorzichtig wrijft Frans Verhoeven in de vroege morgen de zandkorsten rond zijn ogen weg. Ook in het bivak bij het Argentijnse Santa Rosa de la Pampa zijn de korrels vannacht door het tentdoek gedrongen. Net als de herrie van het slijpen, lassen en testen. Hij doet zijn oordoppen uit, wast zich met een flesje water en trekt zijn motorpak aan. Vandaag wacht de tweede etappe van de 33ste Dakar Rally, door Argentinië, Chili en Peru.

Dat beeld schetste Verhoeven (45) vóór de jaarwisseling bij zijn presentatie in Tilburg. De motorcoureur mikt op de top 5, nadat hij in de vorige editie zijn podiumkansen verspeelde wegens motorpech, maar wel de slotetappe won. De profrijder verruilde dit jaar zijn BMW voor een motor van het Franse Sherco, dat hem betrok bij uitgebreide tests. Twee nieuwe sponsors, uit de bouwsector, boden hem een onbezorgde voorbereiding op ‘Dakar’. Hij begon gisteren met een veertiende plaats in de eerste etappe die werd overschaduwd door een dodelijk ongeluk van een collega-coureur.

Zoals elke morgen wacht Verhoeven een ontbijtbuffet in de schemering. Niet altijd heeft hij zo vroeg op de dag zin in pasta, brood en eieren. „Maar het lichaam heeft het echt nodig. Het ontbijt is een kwestie van volproppen, want daarna duurt het lang voor ik weer iets kan eten. Bij de verplichte tankstop van een kwartier, op de helft van de etappes, eet ik alleen wat mueslirepen.”

Met de verwachte temperatuur van zeker 35 graden Celsius op de Argentijnse vlaktes is het belangrijk vocht van tevoren in te nemen. „Op een warme dag heb ik negen liter nodig. Daarom drink ik rond de start al extra flesjes water en draag ik op de motor een camelbag op mijn rug.”

Zo’n half uur na het ontbijt komt de zon op en kunnen de helikopters van Dakar- en Tour de France-organisatie ASO de lucht in. Verhoeven verlaat het bivak op weg naar de start. Het is 782 kilometer naar de finish, waarvan 487 kilometer verbinding en 295 kilometer proef. „De overgangstukken voor en na de etappe zijn een ramp. Soms zijn het honderden kilometers. Deze motoren zijn niet gemaakt op even lekker op te zitten. We gaan van rechterbil naar linkerbil naar stuitje, tot we het echt niet meer weten. Een pijnbank.”

Eenmaal in de etappe naar San Rafel staan de motorcoureurs continu op de pedalen. Het is de beste houding om klappen op het lichaam op te vangen bij kuilen, rotsen en grijze zandduinen. Verhoeven heeft al vanaf augustus met zijn eigen sportarts Nando Liem voorbereid met fitness en zwemmen. Buikspieren, schouders en onderarmen kregen daarbij extra aandacht. Ook reed hij rally’s in Tunesië, Sardinië en Marokko. Op de motor wapent hij zich standaard met kniebraces, een bodyprotector van rug tot stuitje en een nekbrace aan zijn helm.

Want hoe goed hij ook getraind is, als motorcoureur liep hij bij endurance- en trialwedstrijden al de nodige schade op. Zo brak hij in 2000 twee nekwervels en moest hij in 2007 even vrezen voor amputatie van zijn voet. Noch zijn blessures noch de dodelijke Dakar-ongelukken hebben de echtgenoot en vader van twee kinderen bang gemaakt. „Ik denk nooit dat het fout gaat. Ik rijd met de gedachte dat ik sterker ben dan de motor. Ik snap ook niet dat sommige coureurs zeggen dat ze een knop omzetten in de wedstrijd. Dat doe ik juist niet. Het is een automatisme.”

Het gevaar in deze etappe schuilt voor Verhoeven zoals elke dag in de laatste kilometers. „Want als het lichaam moe wordt, verdwijnt de focus die ik elke meter nodig heb. Niet aan andere dingen denken, maar steeds weer alert zijn op gevaar.” Hij traint zijn concentratie in de bossen rond zijn woonplaats Poppel, in Vlaanderen. „Daar zijn duizenden paadjes met bomen en wortels. Vergeleken daarbij lijkt het op de Argentijnse vlaktes langzaam te gaan. Misschien ga ik volgende jaar mijn alertheid verbeteren met een pilotentraining, met beeldjes en lichtjes.”

Verhoeven arriveert na zes tot zeven uur op de motor halverwege de middag in het bivak in San Rafael. Na binnenkomst heeft hij een vaste volgorde: het roadbook voor de volgende dag halen, zijn vaste Sherco-monteur Laurent Legat in vijf minuten bijpraten over de toestand van de motor en zijn wensen, verslaggevers te woord staan, met restjes van de perslunch zijn tekorten aanvullen, douchen en naar de masseur.

De voorzieningen in Zuid-Amerika zijn een luxe vergeleken bij de omstandigheden van jaren geleden in Afrika. Maar hoe primitief hij zich in Mauretanië ook soms moest redden, Verhoeven zou meteen vóór een terugkeer stemmen. „Dat zal alleen niet gebeuren, het is echt te onveilig. Maar negen van de tien rijders zouden dolblij zijn. De echte Dakar-spirit is niet te kopiëren.”

Als Verhoeven al is bijgekomen van de tweede racedag, zijn de meer recreatieve Dakar-coureurs nog onderweg. Terwijl zij ploeteren in het zand, rollen de klassementsrijders hun roadbook uit. „Met stiften markeer ik de aandachtspunten van de volgende dag. Groen is een richtingswijzing, rood is gevaar. Ik neem daar ruim de tijd voor en sluit me even af met mijn iPod, met rustige muziek, zoals Alicia Keys.”

En terwijl een monteur de wacht houdt bij de motor van Verhoeven, besluit de ervaren coureur zijn dag met de briefing en het diner, inclusief een klein flesje rode wijn om de slaap te kunnen vatten in het reparatielawaai. Morgen rijdt hij 561 kilometer naar San Juan. Verhoeven kan niet wachten, als hij straks in zijn tent ligt. „Als ik aan Dakar denk, krijg ik kippenvel op mijn armen en zweet in mijn handen.”