Oud en nieuw

Ik kan me nog herinneren dat ik het woord nieuwerwets voor het eerst hoorde. Vermoedelijk was ik een jaar of vijftien. Dat is een leeftijd waarop je een heleboel wilt zijn, maar niet ouderwets – zeker niet in kleding of haardracht.

Toen ik nieuwerwets voor het eerst hoorde, voelde ik een kleine schok, en ik weet nog waarom: ik vond het een aanstellerig en gekunsteld woord. Synthetisch.

Bovendien was ik ervan overtuigd dat het gloednieuw was. Op je vijftiende ben je het absolute centrum van de wereld en als ík het niet eerder gehoord of gelezen had, dan was het zonder twijfel nieuw.

Inmiddels weet ik beter. Nieuwerwets is weliswaar gevormd naar het voorbeeld van ouderwets, maar ze dateren beide al uit de 17de eeuw. Ouderwets (‘zoals vroeger gebruikelijk’) is in 1635 voor het eerst opgetekend, nieuwerwets (‘volgens de laatste mode’) in 1684.

Sindsdien heb ik nieuwerwets zo vaak gehoord en gelezen dat het z’n synthetische smaak heeft verloren, maar bij andere woorden heb ik die nog vaak geproefd. Het gaat daarbij om woorden die volgens hetzelfde recept zijn gebakken, zoals oudkomers naast nieuwkomers. Toen ik oudkomer voor het eerst las – het dateert uit 1997 – liepen de rillingen me over de rug. Hetzelfde gebeurde bij consuminderen, een woord dat in 1992 werd bedacht door Rob van Eeden en Hanneke van Veen van de Haagse Vrekkenkrant. Wij moesten niet doorgaan met consumeren, maar gaan consuminderen. Inhoudelijk hadden ze een punt, vond ik, maar wat een gruwelwoord.

Nog zo’n schokje: de confrontatie met nakeurspelling. Tussen 1954 en 1995 stonden in het Groene Boekje, de officiële spellinglijst van de overheid, bij veel leenwoorden twee spellingsmogelijkheden: bureaucratie en bureaukratie bijvoorbeeld. In de aanloop naar de spellingherziening van 1995 begon men opeens te spreken over voorkeur- en nakeurspelling. Brrr!

Het patroon zal duidelijk zijn: het nieuwe woord lijkt sterk op het oude maar er is een element in vervangen, doorgaans met de bedoeling het tegendeel uit te drukken. Zo wordt witgallig gevormd uit zwartgallig, inbreiden uit uitbreiden, nabereiden uit voorbereiden en warmwatervrees uit koudwatervrees.

Veel van deze woorden worden bedacht door reclamemakers, politici of ambtenaren. Ze doen dit om verschillende redenen. Het kan uit scherts zijn, maar ook om een boodschap kernachtig te verpakken. „We moeten niet verder uitbreiden, maar inbreiden”, is een boodschap uit politiek Den Haag. Je hoort het godzijdank nooit meer, maar inbreiden heeft wel degelijk de Grote Van Dale gehaald, met als betekenis ‘een kleinere oppervlakte doen beslaan’.

Ik vermoed dat veel van deze nieuwvormingen slechts in kleine kring worden gebruikt. „Mijn collega’s gebruiken wel eens het woord onderuren als ze te lang gepauzeerd hebben, als tegenstelling van overuren”, schreef iemand mij ooit.

Niet al deze nieuwvormingen vind ik lelijk of onzinnig. Onderdrijving naast overdrijving heb ik altijd leuk gevonden. En een goede vervanging van understatement, waar geen ander goed Nederlands woord voor bestaat. Digibeet vind ik ook een mooie, als variant op analfabeet. Het is op een iets andere manier gevormd, maar helder en nodig, want digibeten vormen naast analfabeten een aparte groep.

Medelander voor ‘nieuwe Nederlander, allochtoon’ vond ik indertijd foeilelijk. Het ontstond aan het eind van de jaren zeventig. Maar terugkijkend vind ik het zo erg nog niet. Het moet zijn ontstaan uit een poging om migranten het gevoel te geven dat ze welkom waren in dit land, medelander naast de Nederlander, iets wat ver achter ons ligt.

Het ergste vind ik wel conculega, een samentrekking van concurrent en collega, voor ‘iemand die dezelfde dienst verricht of die hetzelfde product maakt’. Van dat woord gaan mijn haren nog steeds overeind staan. Nieuwerwets sinds 1993, maar ik heb er nooit aan kunnen wennen.