Museum voor leven uit het lab

Het eerste natuurhistorisch museum voor mensgemaakte organismen gaat binnenkort open in Pittsburgh. Reizende tentoonstellingen komen ook naar Nederland.

Over exact twee maanden, op twee maart, opent het Center for PostNatural History in Pittsburgh zijn deuren. Het is ’s werelds eerste natuurhistorische museum voor leven dat ontstond door menselijk toedoen.

Initiatiefnemer Richard Pell is kunstenaar en hoogleraar robotische kunsten aan de Carnegie Mellon University in Pittsburgh. Toen hij in 2005 op een middelbare-schoolreünie aan de praat raakte met levenswetenschapper Christopher Voigt – inmiddels verbonden aan het MIT in Cambridge – introduceerde deze hem in de synthetische biologie. „Voigt nodigde mij uit voor één van de eerste conferenties op dit gebied, ‘Life Engineering’. Ik dacht dat ik mee mocht om het politiek debat op gang te helpen, dat dat mijn rol was als kunstenaar.” Dat was niet zo. „Levenswetenschappers maakten zich al veel zorgen over de publieke receptie van hun vondsten.” En het publiek maakte zich weer zorgen over de activiteiten van levenswetenschappers. „Het viel me in dat er een plek moest zijn waar deze twee groepen elkaar konden treffen. Waar het publiek zich kon laten informeren over genetische modificaties.” Die bleek niet te bestaan.

De synthetische biologie fascineerde Pell en hij speelde even met het idee om biokunstenaar te worden. „Ik zag mezelf al nieuwe, provocatieve levensvormen maken, maar ik ontdekte dat wat er in labs gebeurt vele malen verder gaat dan wat biokunstenaars doen.” Pell besloot zich toe te leggen op een dierentuin voor man made organismen.

„Een van de eerste dingen waar ik tegenaan liep bij het verzamelen van genetisch gemanipuleerde organismen was de wet.” Levend mogen ze het lab niet uit. „Maar zijn ze eenmaal dood dan is er geen probleem.” Dit transformeerde Pells beoogde dierentuin tot een nieuw soort natuurhistorisch museum.

Volgens Pell is het lastig te bepalen wanneer de postnatuurlijke geschiedenis precies begint, „maar dat moment ligt in ieder geval voor de komst van biotechnologie” – denk ook aan selectief fokken of plantenveredeling.

Pell begon onderzoekers te vragen of ze een overleden onderzoeksexemplaar konden missen. „Wetenschappers zijn vaak blij met aandacht, blij hun verhaal te kunnen doen aan een niet-veroordelende niet-wetenschapper.” Eenmaal in het lab maakt Pell veel foto’s. „Dit is immers het enige ‘natuurlijke’ habitat dat een genetisch gemodificeerd organisme ooit gekend heeft.” Pell aast nog op een bacterie van Craig Venter.

Pell heeft een zwak voor de organismen die een duidelijke afspiegeling zijn van onze cultuur. „Bijvoorbeeld een lijn van alcoholische labratten uit Finland.”

Ook boeiend in dit kader zijn de transgene organismen die niet bedoeld zijn voor het laboratorium, maar juist om los te laten in het wild. „Ik heb een dood exemplaar van een antimalariamug die zo is ontworpen dat hij geen malariaparasieten kan huisvesten. De hoop is dat deze nieuwe mug de oude mug uit zijn habitat verstoot.” Pell bezit ook een blad van een kastanjeboom die resistent is tegen Cryphonectria parasitica, een bepaald soort schimmel die verhindert dat de boom groeit. „Door deze schimmel is de kastanjeboom vrijwel weg uit Noord-Amerika, maar de resistente boom moet het continent heroveren.”

Soms moet Pell vreemde toeren uithalen om een exemplaar aan zijn verzameling toegevoegd te krijgen. Zoals met de maïs van Monsanto. „Zodra je een zakje Monsantozaden openmaakt, ga je akkoord met een omvangrijke intellectuele eigendomsovereenkomst.” Dit kan Pell om allerlei redenen niet; om te beginnen is hij geen boer. „Maar ik kwam erachter dat Monsanto zoveel zaden produceert, dat ze hun weg vinden in allerlei nevenproducten. Zo vonden we in vogelzaad naast de normale maïs ook Monsantomaïs.” Om die twee soorten te scheiden plantte Pell de maïs en liet het twee maanden groeien. „Daarna bespoten we het met Monsanto’s eigen herbicide ‘Roundup’.” Normale maïs gaat daaraan dood, Monsantomaïs is resistent. „Nu hadden we Monsantomaïs te pakken zonder een ingewikkeld contract te hoeven tekenen. En nog rechtmatig ook, we hebben immers voor het vogelzaad betaald.”

Exposities van het Center for PostNatural History zijn niet alleen te zien in Pittsburgh, ze gaan op wereldtournee. Dit jaar doet de expositie ‘Genetisch gemodificeerde organismen van de Europese Unie’, de Europese Unie aan – in elk geval Nederland en Slovenië. Ook zal het centrum niet slechts een doorgeefluik voor kennis zijn, maar poogt het zich te mengen in onderzoek. Pell praat met de Universiteit Leiden. Hij wil deze zomer de belangrijkste modelorganismen wereldwijd in kaart brengen en preserveren, samen met een aantal Leidse promovendi.