Mede dankzij de euro werd de Spaanse huizenmarkt een casino

Ze staan amper nog aangegeven op prijskaartjes of kassabonnen, maar er is één onderwerp waarover Spanjaarden steevast in peseta’s spreken: huizenprijzen. Die worden niet in tonnen euro’s maar in ‘milliones de pesetas’ geteld.

Een eigen woning geldt in Spanje al decennia als veilige belegging. Je geld in baksteen steken was in het peseta-tijdperk slimmer dan het op de bank zetten. Daar was het immers kwetsbaar voor hyperinflatie en devaluaties.

Met de komst van de euro bleef deze obsessie met een eigen huis bestaan. Ze werd zelfs nog verder aangejaagd. In de opmaat naar invoering van de munt kelderde de rente. Spanjaarden konden ineens even goedkoop lenen als Duitsers.

Banken, politici en bedrijven ontketenden een ongeëvenaarde bouwwoede. Huizenprijzen tartten elke logica. De vastgoedsector werd de motor van de economie, de huizenmarkt een casino waarin je niet kon verliezen.

Eind 2007 spatte de zeepbel. Het Spaanse groeimirakel bleek een piramidespel. Huizenprijzen dalen al vier jaar. De werkloosheid is geëxplodeerd. Hypotheken, bijna allemaal afgesloten tegen variabele rentes, drukken zwaar op gezinnen. Huren wordt hip.

Spanje zit gevangen in de euro. De snelle uitweg via devaluatie is er niet meer. Een verloren decennium dreigt. Noord-Europa, dat via zijn banken en pensioenfondsen de zeepbel mede mogelijk maakte, drukt hervormingen en bezuinigingen door in de hoop zijn geld nog terug te zien.

In een recente enquête bleek ‘Europa’ nog relatief populair. Zelfs Duitsland en zijn strenge bondskanselier scoorden een voldoende. De euro niet: 70 procent antwoordde dat de munt niet of onvoldoende gunstig is geweest voor Spanje.

Merijn de Waal