Hongerig zijn naar zekerheid

Een Slechte Tijd is, net als een slechte jeugd, een goudmijn voor de literatuur. Nu sociale vangnetten scheuren, leest literatuur uit een tijd dat sociale vangnetten nog niet bestonden als pas geschreven.

De Duitser Hans Fallada ving bijvoorbeeld de taal van sanering in zijn roman Wat nu, kleine man? (1932), onlangs in vertaling heruitgegeven. In de meststoffenhandel waar ‘kleine man’ Pinneberg voortdurend op de wip zit, zegt de opzichter dingen als: „Waar er drie lui zijn, kunnen er twee ijverig zijn.” In The Grapes of Wrath (1939), John Steinbecks epos over pachters die tijdens de Grote Depressie de Dust Bowl ontvluchtten,maken zelfs de ‘mannen in de lichte pakken met macht en geld’ zich zorgen over het systeem dat zo goed leek te draaien. Ze zijn ‘bezorgd omdat de formules niet langer werken’. Ze zijn ‘hongerig naar zekerheid, maar ze voelen hoe dit van de wereld verdwijnt’.

Steinbeck lezen na Fallada, dat is zoiets als een helder stroompje uit de kraan verruilen voor het geweld van een waterkanon. Fallada vertelt hoe Pinneberg en zijn vrouw, Lämmchen, proberen om omhoog te krabbelen, tegen de recessie in. Steinbeck verhaalt via de familie Joad van de exodus van een kwart miljoen boeren. Steinbeck schreef een portret van rauw kapitalisme, Fallada tekent de onder economische druk verkruimelende bourgeoisie. Maar toch: dit zijn twee romans die alleen over de onderkant gaan, de slachtoffers van de crisis, twee monumenten voor de economisch overtolligen. De personages komen op de bodem terecht – en vallen daar dan doorheen.

Dikke boeken zijn het, want een economische doodsstrijd duurt lang. Men kan, schrijft Fallada ‘zijn dromen nu eenmaal niet zomaar vaarwel zeggen in deze wereld’. Telkens richten de personages zich weer op, ze blijven hopen op een menswaardig bestaan. Hun honger én hun dromen – een wit huisje voor ma, school voor de kinderen en vast werk voor de mannen – houden de Joads gaande. Ook de dromen van Fallada’s Pinnebergs gaan opwaarts, keurig zoals het kapitalisme voorschrijft. Maar de werkelijkheid van de recessie biedt hen enkel stagnatie of neergang. Ze kunnen een beetje naar links, een beetje naar rechts, maar nooit omhoog. Ze hebben geen werkelijke speelruimte, ze verliezen juist telkens een beetje terrein. Totdat, uiteindelijk, de echte val begint.

Wat nu, kleine man? is een kroniek van radeloosheid Pinneberg is zo bang om te falen dat hij faalt. ‘Raus aus der Angst’ wil hij, maar er zijn te weinig kansen om niet bang te hoeven zijn. Langzaam maar zeker, en bij ieder falen, internaliseert Pinneberg zijn armoede verder. Hij vlakt zichzélf uit. ‘Ja, hij was een zielige kleine man, die zijn stem moest verheffen en zijn ellebogen nodig had om zijn plaatsje in het leven te kunnen handhaven. Maar verdiende hij dat plaatsje wel?’

John Steinbecks Joads hebben voor al deze reflectie geen energie meer. Voor hen is het eten of gegeten worden. Steinbeck baseerde The Grapes of Wrath op verhalen over arbeidsmigranten die hij als journalist voor de San Francisco Chronicle schreef. Hij beschreef wat hij zag, maar hij wist ook dat wat hij zag groter was dan de krant kon vatten.

Als aanklacht tegen het rauwe kapitalisme in de landbouw blijkt het boek net zo actueel als in de jaren dertig. Natuurlijk, anders dan in de dagen van Steinbeck genieten boeren in het Westen nu subsidie en bescherming; er is een vangnet. Maar land- en seizoenarbeiders in China, Azië, Afrika en Latijns-Amerika hebben zo’n vangnet niet en leven vaak Joad-achtige levens, illegaal en rechteloos, gehaat door lokale gemeenschappen. In Californië zijn de ‘Okies’, de straatarme fruitplukkers uit Oklahoma, Latijns-Amerikanen geworden, maar veel veranderd is er verder niet. De meesten van ’s werelds armen op het platteland zíjn kleine boeren, de meesten van de stedelijke armen wáren kleine boeren. De concentratie in grondbezit en agribusiness is alleen maar toegenomen en is nu mondiaal. Gestegen voedselbehoefte en voedselspeculatie stimuleren de huidige ‘landgrab’, waarbij de informele grondrechten van kleine boeren niet tellen als grote spelers hun oog op een gebied hebben laten vallen.

Heel Steinbeckiaans was bijvoorbeeld het nieuws uit het Zuid-Chinese dorp Wukan. Daar werd een lokale leider die de bevolking aanzette tot verzet tegen illegale landroof gearresteerd en waarschijnlijk doodgeslagen in zijn cel. Bijna precies zoals de gewezen priester Casy in The Grapes of Wrath, die aanzet tot verzet tegen de erbarmelijke lonen op een perzikplantage en wordt doodgeslagen door de knokploeg van een landbouwmagnaat.

Steinbeck keek echter niet alleen naar de landbouw, maar ook naar de kern van het economische nieuws dat zijn tijd domineerde. Wat gaat over grond is immers altijd vanzelf al een halve metafoor voor de rest. Eenzijdige exploitatie ‘zuigt het leven uit’ vruchtbare grond. De bank is ‘een monster’, dat gemeenschappen ‘ontwortelt’ en de ‘bodem’ onder het bestaan wegslaat. De Dust Bowl of de Rust Belt – de jaartallen en de branche verschillen, maar het mechanisme niet.

Lees Steinbeck dus over dat mechaniek, waarin de haves (de Occupybeweging zou zeggen: ‘de 1 procent’) net zo goed zitten opgesloten als de have-nots. De landonteigenaars zijn ‘gevangen in een kracht die groter was dan zijzelf. Sommigen haatten de wiskunde die hen voortdreef, anderen waren bang, weer anderen vereerden die wiskunde, omdat die een toevlucht bood, weg van gedachten en gevoelens’.

Dit soort zinnen staan in de hamerende passages die Steinbeck tussen de hoofdstukken over de Joads voegde, bijbelse klaagzangen over de uitwassen van ongetemperd kapitalisme. Het mooiste daarvan is het intermezzo over het dumpen van voedsel. Als tijdens de oogst de prijzen te veel zakken, wordt het voedsel voor de ogen van hongerigen in rivieren gegooid of overgoten met benzine, gewapende knokploegen erbij om te voorkomen dat de hongerigen het krijgen, omdat ze dan helemaal niet meer geneigd zijn iets te kopen.

‘The smell of rot fills the country’, schrijft Steinbeck hierover, en hij laat voelen wat een absurditeit het is als een economisch systeem immense verspilling en diepe armoede met zich meebrengt. Dan is er een mislukken dat alle succes omverwerpt. Zolang een economisch systeem niet rechtvaardig is, kan het niet gelden als succesvol.

Dat is het grote verschil tussen de crisisromans van Fallada en Steinbeck. De eerste beschrijft economische tegenspoed, de ander economisch onrecht. Het één gaat ooit weer over, hoop je. Het ander roept op tot een herziening van de fundamenten.