Goede Moed voor 2012

Dit jaar wordt het laveren tussen de persoonlijke drang tot live life to the max...

... en de door crisisgevoel afgedwongen behoefte om normaal te doen.

2012 wordt het jaar van de Goede Moed.

Een jaar van de kaken op elkaar, tegen alle onheilsberichten in.

De goede moed van schrijver-columnist Ilja Pfeijffer bijvoorbeeld, die om 06.02 uur in Nieuwjaarsnacht op Facebook meldde: „Het begint al slecht, dat hele 2012”. Blader voor zijn vooruitzichten even een pagina terug. Blijven lachen, dan maar.

Goede moed dat de crisis een beetje meevalt. Dat die verdomde euro niet kopje onder gaat. Dat de banken niet nog eens omvallen of de hypotheekrenteaftrek verdampt. O ja, en dat de Arabische Lente eens opschiet, want dat begint ook al te vervelen.

De goede moed van Mark Rutte, die de lezers van de Volkskrant voorhoudt dat we het goed hebben in dit land en dat we, als we de handen maar aan het stuur houden en de ogen op de weg, er heus wel uit komen. En nee, hij heeft nog geen vriendin.

De goede moed van Job Cohen, die in zijn niet-partijkrant De Telegraaf alvast aankondigt, dus nog steeds een beetje poedelig, dat hij bedrijfspitbull Geert Wilders nu echt gaat aanpakken. Succes niet verzekerd.

De goede moed van bestuurskundige Gabriël van den Brink, die in een essay van een luttele honderd bladzijden getiteld Eigentijds idealisme ‘afrekent’ met het cynisme in Nederland en laat zien dat het land barst van het engagement met ‘het Hogere’.

De goede moed ook van de ‘gewone’ idealistische Nederlanders die in het boekje van Van den Brink (binnenkort verschijnt een uitgebreide versie) zeggen dat ze hopen dat iedereen eens normaal gaat doen. Zoals PVV-stemmer John Bos (45), beheerder van een sportvereniging, die zijn kinderen de oer-Hollandse aanmaning meegeeft: ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.’

Dat klinkt vertrouwd, maar toch ook weer niet helemaal.

Een avond in december 1973, in het Amsterdamse theater Tuschinski. „Er is nog hoop, er is nog hoop, er is de Neerlands Hoop Exprèèèèès”, blèrt Freek de Jonge over zijn elektrisch versterkte rockband heen. Hij had hoop, in 1973 – ook zo’n sleuteljaar tussen progressieve hoogmoed en ontnuchterd realisme, tussen oliecrisis en oliebollen.

Toen was cynisme onder wereldverbeteraars nog heel gewoon en stond ‘normaal doen’, vergeleken met tegenwoordig, laag op de ladder van Nederlandse ambities. Waarom normaal doen als je gelukkig kunt zijn? Dat was het levensgevoel van de vroege jaren zeventig, die nu als radicaal-links gelden. Maar een echo ervan weergalmt in de leus waarmee de liberale VVD van Ed Nijpels een decennium later de nieuwe suburbane middenklasse voor zich wist te winnen: „Gewoon jezelf zijn.”

Dat ontspannen liberalisme heeft plaatsgemaakt voor behoefte aan normering. Ja, ook op de sportvereniging van John Bos. Hij vertelt: „Mensen vragen weleens of we geen ellende hebben met zo veel culturen in de sportvereniging. Dan zeg ik: ‘Iedereen is gewoon normaal hier. Klaar.’ Ben je vervelend, dan ga je d’r uit. Of je nou Ahmed of Japie heet.”

De maatschappij is een sportvereniging. Iedereen mag meedoen. Maar wie zich misdraagt, vliegt eruit.

Die omslag zat eraan te komen. Want hoe kun je met zijn zeventien miljoenen gewoon jezelf zijn als je normaal moet doen om er niet uit te vliegen? Dat gaat eigenlijk alleen soepel als al die anderen net zo zijn als jij – dan is iedereen normaal en toch helemaal gewoon zichzelf.

In een autoritaire omgeving is dat geen openlijk probleem – al leidt het onvermijdelijk tot een zwart circuit van dissidenten onder de normaliteit – maar in een open, pluralistische samenleving blijft er wrijving bestaan tussen de behoefte aan normalisering van de meerderheid en afwijkend gedrag van minderheden.

Dat wringt ook in het cultuurfilosofische betoog van Van den Brink, die laat zien dat Nederlanders, in weerwil van de clichés over hun egoïsme, wel degelijk grootmoedig of gezellig bezig zijn met idealen en engagement met ‘het Hogere’. Of dat nou spiritueel is of gebeurt in de vorm van vrijwilligerswerk of, zoals bij John Bos, met het beheer van een sportvereniging. Iedereen zet zich wel in voor iets wat groter is dan hijzelf.

Gelukkig maar. Maar toch. Als iedereen, op zijn eigen manier, al zo geëngageerd is met het Hogere – wat is dan het probleem? Waar komen dat „cynisme”, „negativisme” en „nihilisme” dan vandaan, waarmee zo nodig moet worden „afgerekend”? Van den Brink wijst op het „filosofische materialisme”, dat zich „overal in het Westen breed maakte”. Maar wat heeft John Bos daarmee te maken? Van den Brink wordt hier niet concreter over – misschien komt dat nog in het grote onderzoek waarvan dit boekje een prikkelende trailer is.

Misschien is dit het probleem: onder moderne Nederlanders is blijkbaar geen tekort aan spiritualiteit, engagement of goede moed – maar leeft wel een gemis aan, al dan niet opgelegd, collectief engagement.

Dat is nog iets anders dan de zo langzamerhand natiebreed bejubelde ‘gemeenschapszin’. Het laatste hebben we allemaal heus wel, blijkt overtuigend uit Van den Brinks onderzoek – iedereen in dat boekje is bereid zijn handen uit de mouwen te steken voor een ander – en toch hebben we het idee dat mensen onvoldoende „normaal doen”. Weigerambtenaren doen niet normaal. Moslims met baard of boerka ook niet, net zomin als joden en moslims in de slagerij. Maar ja, bij The Voice of Holland moeten we natuurlijk juist alles behalve normaal doen.

De tweespalt van het moderne Nederland is die tussen gedesillusioneerde hang naar normalisering aan de ene kant, en de persoonlijke plicht tot zelfontplooiing en totale expressie aan de andere. Ja, we willen normaal doen – maar ook graag meteen even het onderste uit de kan.

Je leeft maar één keer. Ook dat is een zeer Hollandse levenswijsheid.

Dus met de kinderen in een jeep door Afrika scheuren (en daar een boek over schrijven), in de jungle met de rebellenbeweging FARC meeknokken (en je laten filmen), op je veertiende de wereld rond willen (en daarvoor naar de rechter), op je drieëntwintigste kapseizen op open zee (en de krant halen), opgefokt en bezopen het veld oprennen (en trending topic worden). Ja, je moet alles een keer geprobeerd hebben.

Die vitalistische opvatting van het eigen leven als een persoonlijk creatief project – Van den Brink heeft het over een „verheerlijking van het leven” – heeft Nederland als geen ander Europees land in haar greep gekregen, van de feestcultuur uit de jaren negentig tot boeddhisme voor managers en georganiseerde „activiteiten” voor senioren. Het eigen leven is in die moderne, even zakelijke als romantische opvatting een investering. Er mag geen minuut verspild worden. Never a dull moment.

Postmoderne filosofen zien daar vooral een individuele verrijking in, een democratisering van traditioneel elitaire ontplooiingsmogelijkheden. De ironie voor hen is (voor zover ze van linkse snit zijn): in politieke zin heeft al die zelfontplooiing geen progressieve groenigheid opgeleverd, maar middelpuntzoekend cultuurnationalisme. De ontketende middenklasse doet graag zijn eigen ding, maar draait rechtsom. Geen wonder, in het hutjemutje polderland is ook geen eindeloze ruimte voor zeventien miljoen ongeremde feestbeesten.

Conservatieve cultuurcritici – en die zijn hier na het wegebben van de jaren zeventig ook uit voorraad leverbaar – zien in al die ontplooiing vooral verplatting en verdwazing (dumbing down). Maar de ironie voor hen is: zelf zijn zij in cultureel opzicht evenzeer een product van het moderne, expressionistische levensgevoel. Ook ‘haardvuurconservatief’ is tegenwoordig een elitaire lifestyle die je als ontgoochelde liberaal in elkaar kunt knutselen, compleet met vlinderstrik, instant wijnkennis en af en toe een lezing van Roger Scruton.

In Nederland anno 2012 wordt het laveren tussen die persoonlijke drang tot live life to the max en de door onbestemd crisisgevoel afgedwongen behoefte aan normaliteit. Tussen rust op straat en maximale decibellen in de huiskamer. Tussen een klassieke, burgerlijke cultuur die niet alleen voorbij de grenzen van het eigen land kijkt maar ook voorbij die van het eigen ik, en een populaire cultuur waarin narcisme, van hoog tot laag en links tot rechts, geen kwaal meer is maar een aanbeveling.

Facebook is even een uitkomst: veiligheid en intieme marketing tegelijk. Maar het is geen vervanging voor een echte vergaderzaal of het stemhokje: om een democratische ordening op peil te houden, blijft echte openbaarheid – en dus politiek – hard nodig.

Toch maar goede moed houden?

Uiteraard. De spanning tussen conformisme en individualisme, tussen coöperatie en expressie, is de motor van de moderne cultuur. Die moet niet worden stilgelegd door één kant van de pool tot zwijgen te brengen. Tussen de verleidingen van autoritaire normaliteit aan de ene kant en decadent individualisme aan de andere, staat nog steeds die saaie democraat die de moed erin houdt.

Kom, hoe heet hij. Ja, de burger.

Nu er is afgerekend met het cynisme in Nederland, met dank aan Gabriël van den Brink, kan die duffe, nuchtere burger misschien weer eens op de voorgrond treden.

Dat is nodig, en niet vanzelfsprekend goed nieuws voor wie wil dat iedereen voortaan gewoon weer normaal doet. Want de democratische burger ruim baan geven – in plaats van de autoritaire moralist of de ronkende zelfontplooier – betekent ook dat niemand de wijsheid in pacht heeft. De minderheid niet, maar de meerderheid evenmin.

Dat besef wordt in de opgewonden cultuur van Nederland Twitterland node gemist. Nu het weer is omgeslagen, kan het ervan komen.

In 2012 moet iedereen een beetje inschikken.