Gedicht gevonden

Op oudejaarsmiddag belandde ik tijdens mijn wandeling door het centrum van Amsterdam in de Kerkstraat, een lange straat tussen de Keizersgracht en de Prinsengracht. Op nummer 277, een op dat moment gesloten bedrijfspand, hing achter het raam een wit papier waarop in zwarte letters een kort gedicht stond afgedrukt.

Ik las het en het sprak me onmiddellijk aan, mede dankzij de eerste twee regels die zo goed bij deze dagen pasten:

Ik hijg achter

de dagen aan

Onder het gedicht stond alleen een achternaam vermeld: Moretti. Zei me niets. Ik wilde het gedicht overschrijven, maar kwam tot de ontdekking dat ik mijn balpen en notitieboekje vergeten was mee te nemen. Vervelend, maar ach, er was altijd internet nog, dacht ik, terwijl ik verder liep en me de naam van de dichter en die eerste twee regels inprentte.

In de Kerkstraat was het nog rustig geweest, maar dichter bij het Rembrandtplein werd het steeds drukker, om nog maar te zwijgen van de Leidsestraat en de Damstraat. Duizenden merendeels jonge, buitenlandse toeristen dwaalden door de stad in afwachting van die ene gelukzalige seconde die nog een uur of acht op zich liet wachten. Wat zochten ze hier dat ze thuis niet konden vinden?

Het is een vraag die elke jaarwisseling weer bij me opkomt als ik de horden toeristen in Amsterdam met de ziel onder hun arm zie rondbanjeren. Ze verdringen elkaar in de donkere straten, ze hangen wezenloos in de coffeeshops of ze staan een uur in de rij voor Madame Tussauds. Zo hijgen ze achter zichzelf aan zonder iets te vinden.

Maar misschien willen ze ook niets vinden en gaat het er alleen om weg te zijn van de familie thuis waarmee ze al die saaie Kerstdagen moesten doorbrengen. Even geen verplichtingen. Even geen gezeur van de oudere generatie. Even met vriend of vriendin helemaal alleen.

Het Amsterdamse centrum verandert op Oudejaarsdag geleidelijk in een nerveuze kolk van gespannen verwachting, aangewakkerd door het vuurwerk dat al midden op de dag in verbijsterende hoeveelheden afgeschoten wordt. Eén beeld zal me bijblijven: twee jongens van een jaar of dertien op de kade tegenover het Waterlooplein, verzonken in diepe concentratie met hun gezichten vlak boven het vuurwerk op de grond dat ze willen ontsteken. Pas op, wil je roepen, maar ze zouden je niet horen – en ze zouden je bovendien toch niet geloven.

Thuis probeer ik op internet de dichtregels van Moretti te vinden, maar het lukt me niet. Wel ontdek ik een Italiaanse dichter, genaamd Marino Moretti die van 1885 tot 1979 heeft geleefd. Zou hij de maker van dit gedicht zijn?

Op Nieuwjaarsdag loop ik terug naar de Kerkstraat 277 – een mooier compliment kan ik deze dichter niet maken. Ik noteer:

Ik hijg achter

de dagen aan

maak het allemaal

nog net mee

leven dreigt een

droom te worden

daarna volgt de waan

even stil gaan staan

Terwijl ik sta te schrijven, begint even verderop een man op de stoep van de Amstelkerk de Last Post op een hoorn te blazen. Mooi, maar droef. Alsof hij wil beduiden: het feest is voorbij, het nieuwe jaar kan beginnen.

Ik doe thuis een laatste poging om achter de identiteit van de dichter te komen. Telefonisch bereik ik de eigenaresse van het pand. Nee, het is geen Italiaanse dichter, zegt ze, het is een schuilnaam van een Nederlandse vrouw – geen professionele dichter. Misschien wil ze dit stukje als een aanmoediging beschouwen.