Deze Gijsbrecht weet de traditie nog niet te redden

Sinds 1638 is Vondels ‘Gijsbrecht van Amstel’ jaarlijks op 1 januari opgevoerd. Tot 1968. En nu is hij er weer. Terecht eerherstel voor deze theatertraditie? Of toch gewoon nostalgie?

Gijsbrecht van Amstel van Joost van den Vondel door Het Toneel Speelt. Regie: Jaap Spijkers. Gezien 2/1. Inl. hettoneelspeelt.nl

Waarom is een traditie een traditie? Gewoonte alleen is niet genoeg; er moet een intrinsieke rechtvaardiging zijn. Waarom luisteren we elk jaar rond Pasen naar de Matthäus Passion? Niet enkel omdat het een traditie is, maar omdat het zo mooi is. Omdat het ons in zijn schoonheid boven onszelf uit doet stijgen, en ons verbindt met waar het op die feestdag om gaat. En dáárom is het een traditie geworden. Een traditie moet de nostalgie overstijgen, anders heeft hij geen actueel belang.

Aan het sinds 1638 jaarlijks op 1 januari in de Amsterdamse stadsschouwburg opvoeren van Joost van den Vondels Gijsbrecht van Amstel kwam in 1968, in een roes van vernieuwing, onzachtzinnig een eind. Tot spijt kennelijk van artistiek leider Ronald Klamer van Het Toneel Speelt, die de Gijsbrecht, in de regie van Jaap Spijkers, nu weer op de planken brengt in een poging de traditie te herstellen. Spannend plan: misschien zou zomaar blijken dat er onterecht een eind is gekomen aan de traditie. Gisteren op de première in de stadsschouwburg overheerste echter de nostalgie.

In dit gelegenheidstuk – niet zijn beste – dat Vondel schreef voor de opening van de Amsterdamse schouwburg (toen nog aan de Keizersgracht), wordt Amsterdam belegerd door de Kennemers en de Waterlanders. In het eerste bedrijf concludeert stadsheer Gijsbrecht van Amstel (Mark Rietman) opgelucht dat zij de strijd hebben gestaakt. Hij denkt dat God zijn kant heeft gekozen, en spreekt die beroemde eerste woorden: „Het hemelsche gerecht heeft zich ten langen leste/ Erbarremt over my en myn benauwde veste.” Gijsbrecht wordt in zijn hoop bevestigd door de gearresteerde spion Vosmeer (Bart Klever). Die vertelt hem van het plan van de vijand de stad per schip in te nemen. Dat ging niet door, liegt hij, en het schip ligt nu ongebruikt in de wateren voor de stad. Gijsbrecht laat het meteen binnen de stadsmuren halen – de stad heeft een gebrek aan hout. Dan blijkt het een Trojaans Paard te zijn: de vijand heeft zich in het schip verborgen, en verovert de stad zo alsnog.

Moord, plundering, verkrachting, en een liefde die alles overwint; de Gijsbrecht kent op zich genoeg actie. Maar dat alles wordt voornamelijk achteraf verhaald, in lange monologen die op den duur gaan vervelen. Daardoor toonde het stuk zich gisteren vooral talig en taai.

Dat ligt ook een beetje aan hoe de verzen worden gedeclameerd. Sommige acteurs lijken te zijn gestuit op de muur van Vondels taal – alsof ze niet echt bij de betekenis kunnen komen, zich de woorden niet werkelijk eigen hebben gemaakt. Plus: met hun plechtige voordracht scheppen ze personages van bordkarton. Dat kan passen in de retorische traditie van Vondel, maar het voelt nogal zielloos. Zeker wanneer andere acteurs, met een vleugje ironie, en een net iets lichtere toets, wel een eigentijds effect aan de archaïsche taal weten te geven. Bij Bart Klever, Paul Hoes en Reinout Scholten van Aschat schuilt zowaar een mens achter de eloquentie. Dan gaan Vondels verzen sprankelen.

Voor de hoofdrolspelers, Rietman als Gijsbrecht en Carine Crutzen als zijn vrouw Badeloch, geldt dit helaas minder. Crutzen is vooral statig; van kwetsbaarheid, verdriet, angst of liefde is bij haar weinig te merken; stijf en onaangedaan is zij. En hoe virtuoos Rietman in alle retoriek ook is, een antiheld van vlees en bloed wil hij maar niet worden. Ergens moet Gijsbrecht al weten dat de strijd verloren is, zijn hoop ijdel. Koppig zelfbedrog had daar gepast, met eronder een sluimerende wanhoop die steeds sterker wordt. In plaats daarvan speelt Rietman vol pathos een Groot Lijden, in crescendo. Indrukwekkend, maar eendimensionaal.

Regisseur Jaap Spijkers laat in de enscenering zo nog wat kansen liggen. Het decor is oubollig en fantasieloos; een schaakbord dat schuin, omhoog en omlaag kan worden geplaatst, en zo verschillende speelruimtes creëert. Op het voordoek is een kaart van 17de-eeuws Amsterdam te zien. Maar van alle Amsterdamse verwijzingen en grapjes – de schouwburg wordt genoemd, de drie kruizen in het wapen van de stad, heeft Spijkers in een zaal vol Amsterdammers geen gebruik willen maken. Dat Het Toneel Speelt fier kiest voor de 17de-eeuwse taal, maar wel de reien liet moderniseren (door Willem Jan Otten) is een rare stijlbreuk.

Desalniettemin was het applaus gisteren warm; eerder voor het eerherstel dan voor deze enscenering, denk ik. Het onderzoek van Klamer en de zijnen valt zeker te prijzen: wat heeft de Gijsbrecht en zijn opvoeringstraditie ons vandaag nog te vertellen? Maar een bevredigend antwoord op die vraag is er met deze productie nog niet gekomen.