De munt wordt duur betaald

Vorig jaar was een zeer zware periode voor de euro. Maar 2012 wordt nog moeilijker voor de euro.

Dat is de boodschap die zowel de Duitse bondskanselier Angela Merkel als de Franse president Nicolas Sarkozy afgelopen weekeinde liet horen bij het begin van het nieuwe jaar.

Ze hebben ongetwijfeld gelijk, al was het maar omdat het ook van henzelf afhangt hoe moeilijk het wordt. Duitsland en Frankrijk vormen immers de as waar de gemeenschappelijke munt om draait.

Hoewel de financiële markten er vorige week nog wel een eindejaarssprintje uit wisten te persen en het nieuwe handelsjaar op de beurzen vanmorgen gunstig begon, zijn de meeste voortekenen voor 2012 inderdaad niet goed.

Een voorproefje. Spanje maakte bekend dat het begrotingstekort over 2011 geen 6 procent maar 8 procent of nog iets hoger, zal bedragen. Het lijkt bovendien een kwestie van tijd tot Frankrijk zijn hoogste kredietstatus verliest, hetgeen een reddingsfonds voor de euro verder zal compliceren. Ook eurolanden als Nederland en inderdaad Duitsland kunnen dat risico overigens lopen.

Het wordt ook het jaar waarin de financiële consequenties van de reddingsoperaties zich zullen openbaren. In wezen is Europa de afgelopen twee jaar bezig geweest de bankensector heimelijk te verlossen van zijn kredieten aan de eurolanden die in de problemen zijn geraakt, door deze schuld zelf op zich te nemen.

Dat is nog het best zichtbaar bij de Europese Centrale Bank (ECB). Eens komen daar de verliezen boven, die aanvankelijk de nog milde vorm zullen krijgen van het uitblijven van de dividenden van de nationale centrale banken die samen het Europese systeem vormen. De Nederlandsche Bank (DNB) schortte niet voor niets uit voorzorg al het interimdividend van een half miljard euro op. Dat is geen abstractie meer, dat is echt geld.

Premier Mark Rutte blinkt, zoals gebruikelijk bij dit onderwerp, ook bij de aanvang van het nieuwe jaar vooralsnog uit in stilte. Dat gat werd echter gevuld door Nout Wellink, de voormalige president van DNB, die vanmorgen in Het Financieele Dagblad hardop zei wat iedereen in zijn kringen allang weet: er dienen zich verliezen aan op de financiering van Griekenland door de andere eurolanden.

Dat is niet meer dan logisch, nu de Griekse schuld steeds verder is verhuisd van de private banken naar de overheden van de Europese partners en het land bovendien nooit zonder herstructurering van die schuld uit de problemen komt. Ook oud-premier Wim Kok liet zich vanmorgen op de radio kritisch uit over de oplossing van de eurocrisis.

Hun kritiek werpt wel de vraag op in hoeverre Kok, Wellink en ook oud-minister en huidig ABN Amro-topman Gerrit Zalm, onder wier drie-eenheid de euro destijds werd ingevoerd, de verantwoordelijkheid bij zichzelf moeten leggen. De eurocrisis is niet alleen een crisis van uitvoering, maar ook een van architectuur. En dáár waren Kok, Zalm en Wellink toch echt zelf bij.

Zo bezien wordt 2012 misschien niet zozeer het jaar waarin de euro valt. Dat is nog steeds ondenkbaar en zou buitengewoon verontrustend zijn. Maar het wordt wel het jaar waarin de kosten van de eurocrisis uiteindelijk duidelijk worden.

Die duidelijkheid uit zich in klinkende munt, hetgeen zal leiden tot hogere staatsschulden en wellicht een extra bezuinigingen. Maar de prijs wordt ook betaald in de vorm van een vertraging van de economische groei of zelfs een recessie, met dezelfde gevolgen.

Op hoop van zegen. De munt wordt duur betaald.