De beste paarden op stal

Sprinter Churandy Martina en discuswerper Eric Cadee moeten onderling in een tienkamp uitmaken wie de enige mannelijke atleet wordt die Nederland dit jaar op de Olympische Spelen mag vertegenwoordigen. Beiden zijn genomineerd, maar slechts één mag worden afgevaardigd.

Van hun prestaties bij polsstokhoogspringen, speerwerpen en verspringen hangt af of zij hun specialiteit op de Spelen in Londen kunnen uitoefenen.

Pardon? Valt 1 april dit jaar op 2 januari? Nee, maar deze onzin benadert wel de realiteit waarmee turner Epke Zonderland is geconfronteerd. De Europees kampioen op de rekstok, die bij de wereldkampioenschappen in 2009 en 2010 beide keren zilver behaalde, moet het volgende week in Londen in een zeskamp opnemen tegen Jeffrey Wammes.

Wammes is wel een echte zeskamper, met sprong en vloer als sterkste onderdelen. De Nederlandse gymnastiekunie heeft de regels echter zo aangepast dat Zonderland, die als meest kansrijk voor een olympisch metaal geldt, in het voordeel is. Al kan het ook gebeuren dat geen van beiden zich kwalificeert.

Zonderland en Wammes hadden het op het laatste WK beter moeten doen, maar ze zijn vooral het slachtoffer van externe omstandigheden, in het bijzonder de archaïsche regels die de wereldturnfederatie FIG erop nahoudt. Die hebben er ook al voor gezorgd dat Yuri van Gelder, wereldtopper op de ringen, tot nu toe de drie Olympische Spelen heeft gemist waarvoor hij zeker goed genoeg was en is.

Turnen is op de eerste plaats een sport voor zes toestellen, vinden ze bij de FIG, en bovendien mogen de sterkste landen méér deelnemers afvaardigen, ongeacht de individuele kwaliteiten.

Het gevolg: de beste paarden blijven op stal. Elke andere opvatting is de FIG een brug te ver, deze turnregenten zijn niet bereid tot een grote sprong voorwaarts. Stokstijf houden zij aan hun standpunt vast, er zit geen enkele rek in. Zij laten zich niet ringeloren. Maar je zou de vloer met ze willen aanvegen.

John Kroon