Behoefte aan een beetje stevigheid

Rotterdamse basisscholen willen hun eigen leraren opleiden en het tekort aan mannen actief bestrijden.

Want kinderen zijn gebaat bij mannelijke rolmodellen.

Tijdens een studievoorlichtingsavond lopen jongens steevast voorbij aan zijn informatiestand. Rob van der Veer weet niet beter of hij moet jongens zelf aanspreken op de arbeidskansen in het basisonderwijs. „Lesgeven wordt door verreweg de meeste scholieren toch gezien als typisch vrouwenwerk: een beetje soft, vooral niet stoer.”

Van der Veer is directeur en ‘kwartiermaker’ bij de pabo Thomas More, een lerarenopleiding in Rotterdam met 450 studenten die nu nog deel uitmaakt van de Hogeschool Leiden. Zijn werkgever, de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs (RVKO), is in gesprek met het ministerie van Onderwijs om de Thomas More over te nemen. Zodat het schoolbestuur (63 basisscholen, 19.000 leerlingen in de regio Rotterdam) het personeelsbeleid in eigen hand heeft en „we zelf nog betere mensen kunnen opleiden”, aldus Van der Veer.

Staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) steunt het voornemen, en heeft de Tweede Kamer laten weten bereid te zijn de wet aan te passen. Die voorziet niet in defusering. Bovendien is de RVKO geen hogeronderwijsinstelling. Zijlstra spreekt van „een bijzondere situatie”: het voortbestaan van de opleiding is in het geding, terwijl de vraag naar gediplomeerde leerkrachten groot is.

Interim-directeur Peter Lamers van de RVKO heeft nog een argument om de lerarenopleiding over te nemen: het tekort aan mannelijke leerkrachten actief en met eigen middelen bestrijden. Minder dan een op de vijf leraren in het Nederlandse basisonderwijs is man, blijkt uit cijfers. Zorgelijk, vindt Lamers. „Het is goed voor de pedagogische ontwikkeling van kinderen als ze op de basisschool met zowel een vrouwelijk als een mannelijk rolmodel worden geconfronteerd. Nu is het te veel van hetzelfde, terwijl kinderen gebaat zijn bij afwisseling.”

Het ministerie van Onderwijs steunt Lamers, oud-onderwijswethouder in Rotterdam, in de opvatting dat de feminisatie van het onderwijs een halt moet worden toegeroepen. Vorige maand begon de landelijke campagne Mannen voor de klas, bedoeld om meer jongens te interesseren voor de pabo-opleiding. Nu staat bij 85 procent van de basisschoolleerlingen een juf voor de groep. Dat is geen juiste afspiegeling van de Nederlandse samenleving, vinden de pabo’s en het ministerie.

In Rotterdam begon de RVKO ruim anderhalf jaar geleden op eigen initiatief al met de werving van wat Lamers ‘hij’-instromers noemt. Een arbeidsbemiddelingsbureau vond 25 mannen met een hbo- of universitaire opleiding die bereid waren over te stappen naar het primair onderwijs. Het perspectief: een tweejarige deeltijdopleiding aan de pabo Thomas More mét baangarantie. In de praktijk betekent dat twee, drie of vier dagen voor de klas staan op een van de RVKO-scholen, en op woensdag zelf plaatsnemen in de schoolbanken.

Het eerste jaar kende de ‘mannenklas’ relatief veel uitval. Tien van de 25 deelnemers haakten voortijdig af. „In de intakegesprekken zijn we niet helder genoeg geweest over wat hun te wachten stond”, zegt Van der Veer. Dit voorjaar werd scherper geselecteerd, op onder meer sociale vaardigheden en inlevingsvermogen. Het aantal afvallers is dit schooljaar te verwaarlozen: één. Van der Veer: „Het is een pittige combinatie: twee jaar lang leren én werken. Bovendien gaan de deelnemers er in salaris vaak op achteruit. Dat soort dingen moet je vooraf wel benadrukken om teleurstellingen te voorkomen.”

Elsemiek Goeijenbier (26) is een van de vijf vrouwen in het ‘mannenklasje’ van Thomas More. Ze zegt zich goed thuis te voelen te midden van vijftien mannelijke medestudenten. „Mannen dringen vaak sneller door tot de kern, en dat bevalt mij wel. Vrouwen hebben toch de neiging om ellenlang te kletsen, voordat ze de knoop doorhakken.”

Goeijenbier geeft sinds afgelopen zomer les op een basisschool in de Rotterdamse deelgemeente Overschie. Juffen zijn ook daar „zwaar in de meerderheid”. Het pleidooi om meer mannen voor de klas te krijgen, onderschrijft de oud-psychologiestudente van harte. „Vrouwen zijn meer gericht op de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Mannen daarentegen leggen meer nadruk op presteren. Die combinatie is ideaal voor een kind.”

Het doel van de RVKO is dat iedere leerling op de basisschool minimaal twee jaar een meester heeft. Lamers trekt jaarlijks bijna 400.000 euro uit om de opleidings- en begeleidingskosten te betalen. Een welbestede investering, stelt hij. Zeker grote steden hebben behoefte aan „een beetje stevigheid voor de klas”.

Lamers: „Niets ten nadele van de regio, maar met goed opgeleide juffen uit Emmen en Hoogeveen red je het niet in een multiculturele stad als Rotterdam.”

Zijn collega Van der Veer hoopt met het voorkeursbeleid ook „de negatieve spiraal te doorbreken”. Hoe meer vrouwen werkzaam zijn in het onderwijs, hoe minder aantrekkelijk het vak is voor mannen, zegt hij. „Je wilt als man in de koffiekamer ook weleens over wat anders praten dan alleen al die vrouwenonderwerpen aan te horen.”