Een nieuw jaar met Mustafa

Het dieptepunt van het afgelopen jaar? Mustafa knijpt zijn ogen tot spleetjes. Even denken. Dan schudt hij zijn hoofd. Geen dieptepunten. Behalve dan de politiek in Nederland en misschien de keer dat hij door een groepje kinderen werd uitgescholden voor tering-Marokkaan. Dat deed pijn, zegt hij. Maar verder was het een topjaar.
Annet, zijn vrouw, vraagt of ik wat wil drinken. Ze wijst naar de keuken, er is nog genoeg over van gisteren.
Een kwartier geleden zag ik ze op de stoep staan in Amsterdam west. Een stuk of twaalf veertigers en vijftigers met champagne en vuurwerk. Toen ik voorzichtig vroeg of ze misschien een nieuwjaarsfeestje hadden en of er ruimte zou zijn voor een onuitgenodigde gast drukte Mustafa twee rotjes in mijn handen. Alleen als je ons helpt het vuurwerk op te maken. Zestien rotjes en zeven vuurpijlen later zitten we op de bank.

De broer van Annet speelt piano, de rest van het gezelschap eet oliebollen en bespreekt het vorige jaar. Als ik Mustafa vraag of hij nog een goed voornemen heeft voor 2012 zegt hij dat ik hem zojuist op een idee heb gebracht: meer openstaan voor onbekenden.
Het verbaast me hoe makkelijk Annet en Mustafa een wildvreemde gast accepteren. En het verbaast me nog meer dat ik bijna een beetje ongemakkelijk word van hun gemakkelijkheid.
Ik vraag me af of ik na achtentwintig keer bij onbekenden aanbellen om te vragen of ik welkom ben op hun feestje misschien te veel gewend ben geraakt aan ongemakkelijkheid en afwijzing.

Gisteren zei iemand dat mijn partycrash ervaringen vooral bewijzen dat Nederlanders eerlijk zijn. Als ze geen zin in je hebben zeggen ze dat gewoon en is dat niet beter dan tegen je zin in iemand binnenlaten?
Het klinkt aannemelijk, maar als je zelf degene bent bij wie mensen in alle eerlijkheid de deur in het gezicht slaan verlang je soms naar een beetje meer doen alsof.
Dit is mijn negenentwintigste partycrash. En als Annet de laatste sterretjes aansteekt, in de vorm van een hart, denk ik aan alle mensen die mij binnenlieten de afgelopen achtentwintig weken, ook al was het soms wat stuntelig en ongemakkelijk. En misschien is het de kater, of mijn natuurlijke aanleg om op 1 januari weemoedig te zijn, maar de gedachte aan die mensen bezorgt me een kleine brok in mijn keel.

Ik slik en kuch, neem een slok champagne. Mustafa kijkt me bezorgd aan. Gaat het? Ik knik, kuch weer. Ik vind jullie erg vriendelijk, zeg ik.
Ik hoor zelf ook wel hoe dom dit klinkt, maar ik heb op dit moment geen betere woorden. Mustafa glimlacht. Ik vertel hem over mijn achtentwintig feestjes en hoe vermoeiend het soms was en soms ook bijzonder. En dat het me raakt hoe ongelooflijk lomp Nederlanders kunnen zijn en ook hoe ruimhartig.
Mustafa knikt meelevend. Ik denk niet, zegt hij dan, dat het iets typisch Nederlands is. Het is gewoon zo dat er maar weinig mensen zijn die echt van mensen houden. De meeste mensen hebben niet zo veel te geven, zegt hij. Of ze voelen zich niet veilig genoeg.

Hij zegt ook dat het mooi is als ik niet boos zou zijn op de mensen die mij niet binnenlieten. Ik zeg dat ik dat ook niet ben. Ik lieg, want dat ben ik wel. Maar ik wil het niet zijn en ik denk dat doen alsof soms het begin is van iets echt menen.
De broer van Annet speelt nog steeds op de piano. Het is donker buiten, in de kerstboom branden gekleurde lichtjes. Op tv zegt iemand dat 2012 een slechter jaar wordt dan 2011, maar hier op de bank naast Mustafa kan ik me er niets bij voorstellen.
Mustafa haalt nog meer champagne en dan proosten we. Op vriendelijkheid. En aanbellen. Op opendoen en binnenlaten.

Dit was mijn laatste Welkom/Onwelkom column. Ik wil graag iedereen bedanken die de afgelopen maanden voor mij opendeed. En iedereen die mij uit huis zette. Of buiten liet staan. Als ik ergens een feestje verpest heb dan spijt me dat.