Ze hebben mij toch klein gekregen

Dit jaar kwam een einde aan het tijdperk van politicus Rita Verdonk. Premier werd ze niet – dat was wel het doel – en ze vertrok bij haar eigen partij Trots Op Nederland. Ter afsluiting van een bewogen carrière keert Verdonk (56) terug naar de plekken waar het allemaal gebeurde.

Nederland, Den Haag, 16-12-11 Rita Verdonk bezoekt Den Haag. © Foto Merlin Daleman

Statenrestaurant, Tweede Kamer

Het gebeurt niet één keer, maar talloze malen. „Sorry mag ik u iets vragen”, zegt een passant. „Is dat mevrouw Verdonk?”

„Welkom terug in de Tweede Kamer”, zegt een beveiliger.

„Goedemorgen mevrouw Verdonk, alles goed met u? Ik blij u gezien”, roept een schoonmaakster haar na.

„Ik heb nou eenmaal een bekende kop”, verklaart Rita Verdonk. „Die kan je er niet van afdraaien.”

Lange tijd had Verdonk „helemáál geen zin” terug te keren naar de Tweede Kamer, vertelt zij in het Statenrestaurant. „Ik heb hier gelopen, gewerkt, maar niet de leukste jaren van mijn leven beleefd.”

Achter de koffie met gevulde koek valt ze plotseling stil. „Dat ik het niet gered heb doet pijn”, zegt ze, terwijl zij een traan wegpinkt. „Ze hebben mij toch klein gekregen.”

Met ‘ze’ doelt Verdonk op „de Haagse elite”. Mocht zij ooit nog minister worden – Verdonk sluit het niet uit – dan gaat zij „bewuster kijken naar de spelletjes achter de schermen”. Niet om mee te doen, maar om „beter het gevecht aan te kunnen gaan”.

Ze heeft een eigen bedrijf: Rita Verdonk bv. Ondernemers die „een gevecht leveren met overheden” kunnen de ex-politica inhuren. En ze coacht mensen. „Dat begint lekker te lopen, ik krijg m’n dag weer vol.” Heeft ze dat nodig? „Jááá, anders zit ik maar thuis, op de bank.”

Na de verkiezingen – Verdonk verloor met Trots op Nederland haar enige zetel – had ze tijd zat. „Ik dronk wat langer koffie, las wat langer de krant. En was verdrietig over de afloop van mijn politieke carrière.”

Hoe zou Nederland er nu voor staan als ze wél premier was geworden, zoals ze voorspelde? „Daar kun je lang over praten, maar het is niet gebeurd.” Een gemiste kans voor het land? „Dat denk ik wel. Als ik Rutte nu zie, denk ik: goh, daar had ík kunnen staan. Maar ik voel geen wrok om wat niet is.”

Plein XIX

Plein XIX, een bruin café met uitzicht op het kamergebouw, is de VVD-geschiedenis ingegaan als de plek waar Rita Verdonk de revolutie uitriep. Zelf ziet zij het anders. „Op deze plek stelde ik vast dat ik 620.555 voorkeursstemmen had gekregen bij de verkiezingen van 2006. Niets meer, niets minder.” Ze laat het cijfer langzaam over haar tong rollen, als goede wijn.

Ze had meer stemmen dan Mark Rutte, die partijleider was. In het bomvolle café stelde Verdonk een commissie voor, die „deze unieke situatie” moest onderzoeken.

Haar voorstel kon op weinig steun rekenen. De commissie kwam er niet, het voorval werd uitgepraat met Rutte en er was nog één incident voor nodig om Verdonk uit de VVD te zetten. „Die cafécoup, dat doen we dus niet meer”, zou Rutte er later over zeggen.

„Het was geen coup en het zal nooit een coup worden”, zegt Verdonk als zij vijf jaar later het lege café binnenloopt. „Ik zit ook helemaal niet van coupen in elkaar.”

Ze gaat zitten aan de grote tafel, met uitzicht op de ochtendploeg die karren vol drank binnenrijdt. „En nu denken jullie zeker dat dit bezoek mij nog heel veel doet, dat er héél veel door mij heen gaat....” Ze buigt over tafel. „Niks.”

Verdonk vertelt wat haar destijds tot de actie bewoog. Eén: ze hád meer stemmen gekregen dan Rutte. Twee: ze had maar één felicitatiesms’je van een VVD-prominent ontvangen – en dat stak. Drie: ze vermoedde dat er „acties waren geweest” binnen het partijestablishment „om stemmen te ronselen voor Mark”. En dat terwijl „ik me altijd rot heb gewerkt voor de VVD”. Het had niet met machtshonger te maken, benadrukt ze. „Wel met mijn achterban. Ik wilde zeggen: mensen, ik heb jullie gehoord. Ik was ongelooflijk populair in het land, alleen niet binnen de partij. De gevestigde orde was bang: als Rita komt, gaan er dingen veranderen. Raak ik mijn baantje kwijt.”

Na haar optreden in Plein XIX zou ze zich gedeisd houden, zo was de afspraak. Maar kort daarna hield Verdonk een toespraak bij een diner, in het bijzijn van twee journalisten. Ze merkte op dat de partij onzichtbaar was waar ’t het onderwerp integratie betrof – maar dat het al beter ging. „Dat laatste kwam niet in de krant. Misschien was dat hele diner wel een opzetje”, peinst ze nu. „Dat ze dachten: ‘Rita heeft nog maar één duwtje nodig’.” Toeval bestaat niet, zegt Verdonk. „Maar nu moet ik uitkijken dat ik niet paranoïde word.”

De imam & de brief

Ze legt haar horloge op tafel en wacht demonstratief op de brief van de imam.

In november 2004, op een conferentie van imams in Soesterberg, begroette minister Verdonk zo’n twintig mannen. Toen ze haar hand uitstak naar de Tilburgse Syriër Ahmad Salam, schudde die het hoofd: „Dat mag niet van de islam.”

Het was misschien wel het bekendste moment uit de carrière van Rita Verdonk. De minister zei toen tegen de imam: „Dan hebben wij heel wat om over te praten.” Het gaf haar „een rotgevoel”, zegt zij nu. Ze vond de weigering „vernederend”.

Voor dit verhaal werd de imam uitgenodigd om het voorval uit te praten. Verdonk wilde wel. De imam niet, maar hij stelde een compromis voor. Hij zou zijn gedachten op papier zetten in een brief aan de oud-minister. Die brief zou hij mailen, dan konden wij hem voorlezen aan Rita Verdonk. Op het moment dat de mail zou komen, bleef het stil. Dat wilde Verdonk maar zeggen met dat horloge: híj hield zich niet aan de afspraak.

Drie kwartier later komt dee-mail van Ahmad Salam. „Ik was in de veronderstelling dat mevrouw Verdonk begrip zou tonen voor mijn daad, omdat zij inzage heeft in de cultuur van de moslims, omdat zij minister van Integratie was. Tevens is de islamitische cultuur een onderdeel geworden van de Nederlandse cultuur, nadat de moslims tientallen jaren in Nederland hebben gewoond”, schrijft hij.

„Ook verwachtte ik dat mevrouw Verdonk mijn daad zou begrijpen omdat ze verantwoordelijk was voor alle burgers, en werkte aan wederzijds begrip en het waarborgen van de rechten van een ieder. [...] Haar antwoord en standpunt choqueerden mij. Ik zag in haar standpunt de ontkenning van de rechten van de moslim om zijn vrijheid te gebruiken, en dat er bij mevrouw Verdonk geen plek is voor een multiculturele samenleving.”

Verdonk hoort het aan en zegt: „Als je in Nederland woont, geef je elkaar gewoon een hand. Dit soort imams, daar hebben we alleen maar last van. Als het aan hem ligt staat mijn dochter straks met een hoofddoekje om achter het aanrecht.”

Nog een passage: „Hierbij wil ik nogmaals benadrukken dat de islam direct contact tussen de man en de vrouw als een reden ziet waaruit behoeftes en contacten voortvloeien die het recht beschadigen van zowel de echtgenoot als de vrouw die zichzelf wil beschermen tegen ongewenste intimiteiten. Hierbij wil ik ook nogmaals verduidelijken dat de moslims hun cultuur en hun geloof niet willen opdringen aan anderen, noch willen zij de gewoontes van anderen verbieden.”

Verdonk: „Arrogante toon, zeg.”

De imam: „Daarom zeg ik: laat ons in onze vrijheid van onze godsdienst en de belijding daarvan, en laten we met elkaar samen onze samenleving structureren, zonder onderdrukking en beletting. Laat alle bloemen bloeien en laat alle kaarsen verlichten.” Ondertekend: Imam shaykh Ahmad Salam.

Waarom is de ontmoeting tussen Verdonk en de imam zo veelbesproken? „Het was een treffend plaatje”, denkt ze. „Een mooie verbeelding van mijn beleid. Dat was heel simpel: de Nederlandse waarden en normen zijn leidend. Dat betekent dus dat een vrouw niet minderwaardig is, geen vijf meter achter de man aan hoeft te lopen in haar tent. Daar hoef ik verder niet over te discussiëren. Dan is er maar één weg en dat is de weg terug naar je vaderland.”

De straat op, bij Halfords naar binnen

Op het Plein, in de regen, klampt een man haar aan. „Beetje jammer dat u weg bent. Het zakt allemaal weg. U moet wel trots op Nederland blijven, hoor!”

Rita houdt het kort, maar kijkt haar gesprekspartner indringend aan. „Door die vorsende blik denken mensen vaak dat ik hard en kil ben. Maar ja, ik ben dan ook niet blond met blauwe ogen.”

Wat ze ook vaak hoorde: „Verdonk is eendimensionaal”. Ze vermoedt zelf dat dat komt doordat zij „taktaktak” praat en haar argumenten „boemboemboem” kracht bij zet. „Misschien had ik wat vaker moeten lachen.”

Eén misverstand wil Verdonk graag ontzenuwen: allochtonen hebben geen hekel aan haar. „Ze waren mij juist vaak dankbaar voor mijn heldere beleid.” Er is volgens Verdonk een verschil in de wijze waarop autochtonen en allochtonen haar aanspreken. „Rita! Rita!”, zegt de eerste groep. „Mevrouw Verdonk”, hoort ze van de anderen, „ik u hand geven”.

Dan kijkt Verdonk een winkel van Halfords in. Ze ziet een paar jongens bij de kassa staan en constateert: „Hé, drie allochtonen!”

Verdonk beent naar binnen. De eerste werknemer komt uit Den Haag, heeft Indonesische ouders, de ouders van de tweede vluchtten uit Rusland en de derde is geadopteerd uit India. „Ah”, zegt Verdonk. „Dat is een heel andere groep.”

Kennen de jongens haar?

„Natuurlijk! Van Trots op Nederland.”

En ook als minister? Was ze streng?

„Redelijk. Wat doet u nu eigenlijk?”

„Ik ben ondernemer. Leuk is dat hè, ondernemen?” lacht ze. „Vooral het facturen sturen.”

„Mist u het hier?”

„Het is goed zo. Ik heb het allemaal mogen meemaken. Maar jij spreekt goed Nederlands, zeg.”

„Ja”, zegt de jongen wiens ouders uit Rusland kwamen. „Op school geleerd. Je moet wel hè.”

Ze zucht. „Dacht iedereen maar zo.”

Tweede Kamer, plenaire zaal

Vanaf de tribune werpt Verdonk een blik op de plenaire zaal. Ze leunt nonchalant tegen de balustrade. De mooiste plek van de Kamer? „Dáár, achter die lessenaar in het kabinetsvak. Dan ging die tafel omhoog en plantte ik mijn armen op het spreekgestoelte...” Ze doet het voor: met veel ruimte ertussen voor een maximaal effect. „Voor ministers telt maar één ding: verdedigen. Beleid verdedigen. Dat deed ik graag, want het besturen ligt mij goed. Ik hield niet van het hijgerige van de Kamer, het vliegen afvangen, de politieke spelletjes.” Die praatfabriek, zoals Verdonk de zaal noemt, heeft nooit veel indruk op haar gemaakt. Wat haar betreft wordt het aantal blauwe stoelen gehalveerd tot 75. „ Een stuk goedkoper en de controlefunctie wordt er niet minder om.”

Haar politieke carrière begon voortvarend. Vanuit het niets werd Verdonk in 2003 minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie. „Ministers waren voor mij mensen van een andere planeet. Als ik er vroeger eentje in het echt zag, klopte mijn hartje in de keel. Dat hebben veel mensen, hoor. Die worden hijgerig van politici. De eerste keer dat ik Ayaan de hand schudde, dacht ik ook: ‘Ayaaaan’.”

We gaan het met z’n allen klaren voor dit land: dat was de inzet van Verdonk. Maar toen vriendin en partijgenoot Ayaan Hirsi Ali gelogen bleek te hebben bij haar immigratieverzoek, moest Verdonk wel voorstellen de geboren Somalische uit te zetten – wat ten slotte niet gebeurde. „De partijleiding wilde dat ik haar een paspoort gaf, onder het motto: het maakt niet uit dat ze gelogen heeft. Maar ik ben principieel. Ik ben minister voor álle mensen. Dat werd mij kwalijk genomen.”

Verdonk neemt het Hirsi Ali kwalijk dat zij delen van hun vertrouwelijke gesprekken openbaar maakte in een actualiteitenprogramma. „Ik dacht dat Ayaan en ik bevriend waren. Maar ik was óók minister. Zo eenzaam als toen heb ik me nooit meer gevoeld.”

Ministerie van Justitie

Verdonk heeft het niet zo op ambtenaren. „Het zijn er te veel en ik ben er op tegen als ze burgers als parasieten beschouwen.” Daarmee bedoelt ze niet haar eigen ambtenaren van toen. „Dat waren er ook veel, maar die waren wel héél goed.”

In 2005 was de ruit van haar kamer op het ministerie plots beschadigd – een inslag van twee centimeter doorsnee. Een vogel? Een aanslag? Een kogel? „Ik moest meteen van die kamer af. En driemaal raden wat voor kritiek ik kreeg? Die Verdonk doet zich weer gewichtiger voor dan ze is.”

Het incident leidde tot extra bewaking en openlijke speculatie over een aanslag in het kabinet. Justitie heeft nooit kunnen achterhalen wat er gebeurd is.

Aanvankelijk lijkt het er op dat wij haar oude werkplek niet zonder afspraak kunnen bezoeken. Maar Verdonk weet raad. Belt. Praat. Lacht. En voor je het weet loopt ze weer door de belangrijkste gang van het departement, op de derde verdieping, waar de minister zit.

Minister Ivo Opstelten loopt net langs, ze botsen bijna tegen elkaar op. Opstelten bromt: „Ik hoor allemaal reünisten hier.” En de voormalig partijgenoten zoenen. Nog een wijze raad van Verdonk: „Pas op in de laatste week voor Kerst hè, Ivo. Overal bananenschillen.”

Verdonk loopt een kamer in, memoreert een vergadering, loopt een andere kamer in, begroet iemand van de catering. „Alsof ik thuiskom”, zucht zij. „Hij zorgt altijd goed voor je en weet toch het beste hoe je je broodje het liefst hebt.” Als Verdonk haar sjaal en paraplu vergeet, raapt de oud-chef protocol deze meteen op. „Beroepsdeformatie”, glimlacht de ambtenaar.

Dat ze nog steeds hartelijk ontvangen wordt is logisch, vindt Verdonk. „We hielden van elkaar. Hebben goed samengewerkt.” De ene na de andere herinnering komt bovendrijven, maar op deze is ze trots. Op een dag liep zij haar werkkamer binnen, bleken alle ambtenaren er al te zitten „Wijn te drinken, het was half vier.” Toen Verdonk vroeg wat ze aan het doen waren, kreeg zij te horen dat al haar beleid al was uitgevoerd. „Een unicum.”

    • Merlin Daleman
    • Danielle Pinedo
    • Freek Staps