Roerig beleggingsjaar in lijstjes

2011 was geen vrolijk jaar voor de belegger. Het aanvankelijke herstel van de wereldeconomie – en dus van de beurzen – werd wreed verstoord door de Eurocrisis.

Vroeger was het zo overzichtelijk. De beginnende belegger die zich bij zijn vermogensbeheerder of tussenpersoon voegde voor een beleggingsadvies, klampte zich altijd vast aan twee wijsheden: aandelen zijn risicovol, maar kunnen hoge rendementen opleveren. En: obligaties bieden doorgaans een lager rendement maar zijn veilig. De behoedzame belegger vulde zijn mandje aldus met 20 procent aandelen en 80 procent obligaties; de riskante deed dat precies andersom.

Deze zekerheden kunnen na dit jaar in de prullenbak. Het was een beroerd jaar voor aandelenbeleggers. Maar ook het hechte geloof in (staats)obligaties kreeg een flinke knauw. Wie als belegger tegenwoordig risico wil nemen, stapt niet langer in aandelen – die leveren nauwelijks meer wat op – maar juist in langlopende staatsleningen van wankele Zuid-Europese landen. Oké, de kans dat Griekenland zijn verplichtingen niet langer kan nakomen bestaat nog steeds, maar voor het zover is bedraagt de couponrente ruim 7 procent.

Het jaar begon nog zo veelbelovend, vooral op de aandelenbeurzen. De wereldeconomie leek zich in 2010 definitief te hebben hersteld van de vorige crisis. Grote bedrijven hadden na driftig saneren zijn winstgevendheid weer weten te herstellen, ruimhartig dividendbeleid werd in het vooruitzicht gesteld en de koersen krabbelden op.

De Amsterdamse AEX-index leek na het bescheiden hersteljaar 2010 voortvarend op weg naar de 400-puntengrens. In de eerste zes weken steeg de AEX met ruim 5,5 procent even hard als de twaalf maanden daarvoor. Maar toen kwam het roerige voorjaar met onzekerheden over stijgende grondstoffen, onrust in het Midden-Oosten en een bijna-kernramp in Japan.

In maart maakte de hoofdindex van de Amsterdamse beurs zijn eerste grote schuiver: ruim 6 procent eraf in een zes handelsdagen tijd. Er zouden nog zeker tien flinke beursschokken volgen, waarvan die in de zomer het heftigst was. De AEX kelderde tussen 22 juli en 10 augustus met bijna 20 procent. In exacte termen: de 25 grootste fondsen op het Damrak verloren gezamenlijk 37 miljard euro aan beurswaarde – ruim 2,8 miljard per handelsdag.

Belangrijkste oorzaak van de terugval: de grote onrust over de financiële gezondheid van de Zuid-Europese eurolanden en van Ierland, én het schijnbare onvermogen van de politiek om de eurocrisis kordaat te lijf te gaan. Na elke topconferentie was het herstel op de financiële markten – als dat al kwam – slechts van korte duur. Als premier Rutte het reddingspakket voor Griekenland in de zomer al niet adequaat kon berekenen, hoe moesten beleggers dat dan doen?

Het belangrijkste metertjes waar beleggers sinds de zomer naar kijken, zijn niet de grote beursgraadmeters, maar de stand van de rentes die Europese landen moeten betalen op hun nieuw uit te geven obligatieleningen. De kritische grens, van 7 procent, werd niet alleen voor erkende probleemlanden overschreden. Ook Frankrijk en België kwamen in de gevarenzone.

En als overheden wankelen, dan wankelt het bedrijfsleven mee, de financiële sector voorop. Want die heeft juist grote pakketten leningen uitstaan aan diezelfde kwetsbare landen. En als banken daardoor in problemen komen, dreigen gewone bedrijven dat ook. Zij zullen voor hun investeringen of het herfinancieren van hun bestaande schulden immers veel lastiger geld loskrijgen van diezelfde bankensector.

Niet verwonderlijk dus dat financiële instellingen dit jaar de hardste klappen kregen op de beurs. De Europese bankenindex van Bloomberg verloor dit jaar ruim 30 procent, driemaal zoveel als de algemene Europese aandelenindex.

In oktober leefden de beurzen eventjes op – tot er half november weer een nieuwe klap kwam. En in de afgelopen dagen leek er traditioneel een eindejaarsrally te ontstaan, maar die zette niet echt door. Uiteindelijk eindigde de Nederlandse beurs net iets boven de 310 punten , hetzelfde niveau als twee jaar geleden en ruim 12 procent lager dan aan het begin van dit jaar.