Oud en nieuw: menu van een ombudsman

Hoe overleeft een ombudsman?

Uiteraard door genoeg te eten, dertig minuten per dag te bewegen en niet naar toegeworpen plastic zakjes te happen. Maar verder?

Vlak voor de jaarwisseling, na ruim een jaar in deze functie, is het misschien goed daar even bij stil te staan. Voor één keer dan, want een ombudsman heeft het niet graag over zichzelf: het gaat tenslotte om het werk, niet om het ik.

De vraag in die eerste zin is ook niet gek, want volgens het cliché is ombudsman per definitie een eenzame en soms ondankbare functie. De ombudsman opereert – als het goed is – los van de redactie waar hij over schrijft (en die ook niet altijd blij is met zijn bevindingen) en krijgt een stroom kritiek van lezers te verwerken. Hij is „waakhond of schaamlap”, volgens een onderzoek door Huub Evers (2009). Waakhond omwille van de handhaving van – en reflectie op – journalistieke normen, schaamlap omdat de conclusies van een ombudsman voor eigen rekening zijn en de krant er niets mee hoeft te doen.

Hij heeft makkelijk praten vanuit zijn studeerkamertje heet een ander onderzoek naar het instituut ombudsman, door Carien ten Have van de Universiteit van Amsterdam (2011). Let op het verkleinwoord. Uit dat lezenswaardige onderzoek blijkt dat redacteuren bij één bepaalde krant (een voormalig katholieke en linkse ochtendkrant uit Amsterdam die hier niet genoemd hoeft te worden) het wel goed vinden dat er een ombudsman is, maar tegelijk zeggen dat ze zich niets aantrekken van zijn kritiek.

Geen wonder dat een ombudsman soms een beetje zielig aftrapt, zoals Arthur Brisbane bij The New York Times deed, met een desperaat getiteld stukje als Waarom ik dit doe. Het bordje ‘niet schieten op de pianist’ moest je er zelf bij denken. De laatste column van een van zijn voorgangers, Daniel Okrent, heette: Dertien Onderwerpen Waar Ik Over Wilde Schrijven Maar Wat Ik Nooit Deed. Dat was trouwens een ombudsman die van wanten wist en wiens piano tegen die tijd, na anderhalf jaar, vol ronde gaatjes zat.

Ik voel uw pijn, zeg ik dan maar met Bill Clinton. Want over de redactie van de krant, en de manier waarop die reageert op mijn aanmerkingen, niets dan goeds – ook al verschuift een anonieme onverlaat het aanwezigheidsbordje op mijn werkplek soms hinderlijk van ‘even weg’ naar ‘uit’. Al helemaal niet over de lezers, die me het afgelopen jaar 1.720 e-mails stuurden met zinnige, inspirerende en vaak meesterlijk geformuleerde vragen, klachten en aanmerkingen.

Maar doen we nu, bijvoorbeeld, voortaan ‘Van der Vlis’ of ‘Van der V.’? Ik schreef daar een rubriek over met een aanbeveling er eens grondig over door te praten en het Stijlboek aan te passen. Uitkomst: we bekijken het per geval. Ik wil maar zeggen: de ombudsman reflecteert, geeft zijn mening en oordeelt – maar hij beslist niet.

Om de moed erin te houden, bevat het handboek The Modern News Ombudsman, door Jeffrey Dvorkin van de vereniging van nieuwsombudsmannen ONO (ja, die bestaat en is springlevend), zelfs een Ombudsman’s Survival Kit. Een van de tips: „Neem de tijd om te lachen. Mijn familie neemt comedy’s voor me op waar we samen naar kijken.” Een avondje Jiskefet met het hele gezin. Klinkt nog best gezellig ook.

Bij zulke treurigheid past natuurlijk een grote korrel zout. Een ombudsman die zijn werk – en dat van redacteuren en lezers – serieus neemt, maakt deel uit van een journalistiek gesprek dat cruciaal is voor een krant. Niet alleen in Nederland. Dvorkin ziet „een gestage heropleving van ombudsmannen” in met name Latijns-Amerika en Oost-Europa. Dat zijn regio’s waar de journalistiek zich nog aan het emanciperen is en minder te lijden heeft onder postmoderne onzekerheid over de eigen taakstelling.

Ombudsmannen, compleet met hun Survival Kit, wacht in al die landen een moeilijke maar relevante taak, om journalistieke principes en normen uit te leggen, de werkwijze van media transparant te maken en vragen en kritiek te beantwoorden. Wie meer wil lezen, zie: www.newsombudsmen.org.

Ook in het geëmancipeerde vaderland – u zult het hebben gemerkt – staan de media niet stil. Integendeel, ze bevinden zich, inclusief deze krant, in een toestand van permanente revolutie. Door de crisis op de advertentiemarkt, een krimpende lezersmarkt en het volwassen worden van nieuwe media. Die creëren een economisch, én een normatief probleem. Het gezag van een krant spreekt niet meer vanzelf in een tijd waarin ‘nieuwsconsumenten’ hun eigen menu bij elkaar kunnen klikken uit een grande bouffe van digitale televisie, sociale media, gratis kranten en vakbladen.

In al die turbulentie moet voorop blijven staan dat een krant een journalistiek product is, met een eigen karakter. NRC Handelsblad wil van oudsher een kwaliteitskrant zijn voor burgers die willen weten wat er aan de hand is (nieuws), hoe dat komt en wat het betekent (analyse), wat ze ervan moeten vinden en wat zij of anderen er eventueel aan kunnen doen (opinie).

Als een ombudsman daar, vanuit zijn studeerkamertje, een bijdrage aan kan leveren – met uitleg, kritiek en commentaar – kan hij desnoods overleven op plastic zakjes.

Die draad pak ik volgende week graag weer op – met uw hulp.

Sjoerd de jong

    • Sjoerd de Jong