Mijn ouders komen altijd kijken

Film- en toneelacteur Nasrdin Dchar wil verhalen vertellen die universeel zijn. Met een ervan won hij dit jaar een Gouden Kalf. „Ik ben de beste acteur van 2011!”

Familie

„Ik ben een familieman, meer nog dan mijn broer en twee zussen. Om de twee weken moet ik mijn ouders zien. Ze hebben me opgevoed met het idee dat je je achtergrond nooit moet verloochenen en trots moet zijn op wie en wat je bent. Natuurlijk zijn er verschillen. Zij komen daarvandaan, ik ben hier geboren. Ze zijn veel bezig met het geloof. Ze zijn naar Mekka gegaan, mijn vader is hadji, mijn moeder hadja. Ik bid niet. Ik wil het weer oppakken maar het is er nu even uit. Maar de verschillen staan niet tussen ons in. Ze zijn mijn óúders, de belangrijkste mensen voor mij zolang ik zelf geen kinderen heb. Ze laten ons vrij, ook in het geloof. Wat dat betreft hebben ze hun werk gedaan.”

Acteur

„Ik ben de eerste acteur in de familie. Mijn moeder heeft wel een broer die veel zong. En de mannen aan haar kant zijn goede verhalenvertellers. Ik heb de afgelopen jaren sterk de behoefte gekregen om te vertellen. Door verhalen te vertellen word je meer met elkaar verenigd, je leert elkaar beter kennen. Mijn theaterverhalen moeten universeel zijn, zodat iedereen zich ergens in kan herkennen. Mijn ouders begrijpen heel goed waarom ik theater maak. Ze komen altijd kijken.”

Kust

„In Kust, het stuk dat ik nu repeteer in het RO Theater, heeft mijn personage zijn hele leven ‘hier’ geleefd. Opeens krijgt hij te maken met zijn vader die hij nooit heeft gekend. Die gaat dood en hij krijgt een koffer vol brieven over de wereld ‘daar’, waar zijn ouders vandaan komen. Hij maakt een grote keuze: zijn vader daar te begraven. Op zoek naar een graf ontmoet hij allemaal mensen. Kust drukt uit dat verhalen niet onverteld moeten blijven. Het stuk doet me vaak denken aan de Arabische Lente. Mensen die op YouTube filmpjes zetten van ongewapende burgers die door hun eigen legers worden gedood. Zo vertellen zij hun verhaal.”

Rotterdam

„Mijn jeugd in Steenbergen was ongelooflijk mooi. Beschermd, gezellig. Je kent elkaar. In vijf minuten fietsen ben je bij de weilanden waar je zo lekker kunt wegdromen. Wonen in Rotterdam is praktisch omdat ik veel in Amsterdam moet zijn en mijn vriendin in Breda werkt. In deze stad met zoveel verschillende mensen voel ik me ook thuis. In Amsterdam zou ik niet willen wonen. Dat is voor mij zo’n speciale plek dat ik er een soort vakantiegevoel krijg, misschien door de vele toeristen. Dat zou verdwijnen als ik er woon.”

Oumi

„Mijn ouders hebben jaren elke cent opzijgelegd voor een huis in Marokko. Het is een fijn huisje in een grote stad, ik probeer er jaarlijks naartoe te gaan. Voor de monoloog Oumi (‘Mijn moeder’), die in januari terugkeert in Theater Bellevue, is schrijfster Maria Goos mee geweest om mijn ouders te ontmoeten. In het stuk liet ze mijn moeder eerst Nederlands spreken zoals ze in werkelijkheid praat. Verstaanbaar, maar niet correct. Dat wilde ik niet. Dan zou het in die voorstelling gaan om die jongen die zo goed zijn moeder nadoet. Ik wilde háár laten zien. Dat kan ook met kleine veranderingen van houding of stem. Later heeft Maria mijn moeder een eigen taal gegeven die ik heel goed vind.”

Geluk

„Oumi is voor veel mensen een eyeopener. Blijkbaar zijn mensen vergeten hoe lastig het is geweest voor de vrouwen die hierheen kwamen, dat hun mannen niet terug konden naar hun land. Mijn moeder vond het zelf ook belangrijk de stem te zijn van die eerste generatie vrouwen die je niet hoort en niet ziet. Ze ziet in wat de kracht van theater is. Voor Oumi heeft ze me verhalen verteld die ze nooit eerder had verteld. ‘Li fet met’, dacht ze altijd: wat geweest is, is geweest.

„Ze komt uit een klein dorp bij de grens met Algerije. Ze was de lieveling van mijn opa en degene die hem geluk bracht. Hij had een winkeltje. Zij mocht overal mee naartoe en hij gaf haar van alles, zoals een fiets. Toen ging ze trouwen en vertrok ze naar Nederland. Een paar jaar later ging ze voor het eerst terug en zag ze dat de zaken niet zo goed gingen. Ze schrok, vroeg wat er gebeurd was. Mijn opa zei: Het geluk is met je meegegaan.”

Kalf

„Mijn Gouden Kalf voor de film Rabat was absoluut het hoogtepunt van dit jaar. Ik ben de beste acteur van 2011! Het mooie van Rabat, over drie jonge mannen die een taxi naar Marokko brengen, is dat het niet meer om de clichés gaat. Mijn personage steelt een keer iets. Dat doet mensen weinig want het gaat daar niet om. Het gaat om de reis naar volwassenheid van die jongens.

„Mijn dankwoord is blijkbaar iets groots geweest. Mensen op straat willen me nog steeds de hand schudden, bedanken. Terwijl: wat heb ik nou gezegd? Dat je je droom moet verwezenlijken, passie voor je vak moet hebben, je angsten moet overwinnen. Dat moet iedereen toch? Het kwam wel uit mijn tenen en als ik het terugzie ben ik supertrots. Als ik het als kijker had meegemaakt, had ik willen opspringen, juichen.”

Droomrol

„Na mijn speech werd ik via Facebook benaderd door Joseph Oubelkas. Hij schreef het boek 400 brieven van mijn moeder, een autobiografisch verhaal. Een jongen van een jaar of 24 gaat bij een Nederlands bedrijf in Marokko werken en belandt van de ene op de andere dag in de gevangenis voor hasjsmokkel. Hij heeft niets gedaan, was alleen op een verkeerd moment op de verkeerde plaats. De brieven van zijn moeder geven hem kracht. Oubelkas komt ook uit Brabant. Ik móést hem zien. De hand schudden. Eren. Zijn moeder heb ik ook ontmoet. Als dat boek ooit verfilmd wordt, zou ik graag de hoofdrol spelen. Dat zou echt een droomrol zijn.”

Joods

„In de Nederlandse oorlogsfilm Süskind, première half januari, speel ik een rol die niets met mijn achtergrond te maken heeft: die van Joods verzetsstrijder. Voor die film werd ik naar Roemenië gevlogen. Ik kwam op een set waar de hele Plantage Middenlaan met de Hollandsche Schouwburg was nagebouwd. Honderden figuranten, zestig man crew achter je. Het is een kleine rol, maar er zit veel in. Ik ben een man die balanceert tussen goed en slecht. Ik moet de namen noteren van Joden die weg moeten en ben tegelijk bezig hen weg te sluizen.”

Mijn land

„De kinderen die ik hoop te krijgen, wil ik de mooie dingen meegeven van beide culturen. De Marokkaanse taal bijvoorbeeld, al spreek ik die zelf niet zo goed. Het geloof, ik wil toch ook die verhalen vertellen. En van Nederland de vrijheid en de mogelijkheden om je dromen waar te maken. Ik ben hier geboren. Dit is mijn land. Dat moet het straks ook voor mijn kinderen zijn. Maar hopelijk krijgen ze het gevoel dat ze iets extra’s hebben. Dat ze lekker even naar Marokko kunnen, naar hun familie daar. Zo zie ik het ook.”