Laat maar schuiven!

Geologie Afrika en Zuid-Amerika passen duidelijk in elkaar. Maar Alfred Wegener werd nog weggehoond om dat idee.

In 1912 legde Alfred Wegener zijn hoofd op het hakblok. Op 6 januari van dat jaar betoogde hij op een bijeenkomst van de Geologische Vereinigung in Frankfurt dat de continenten verschuiven over onze aarde.

Wegener, eigenlijk meteoroloog, opereerde volledig volgens het wetenschappelijke boekje. Hij verzamelde talloze observaties die zijn theorie ondersteunde. Toch hoonde de gevestigde wetenschappelijke orde zijn hypothese weg. Pas een halve eeuw later, met de komst van nieuw geofysisch bewijs, kreeg Wegener postuum gelijk.

Waarom duurde dat zo lang? Aan de bewijzen die Wegener had verzameld lag het niet. Die zijn vandaag de dag nog even sterk als toen. De geologische overeenkomsten tussen de verschillende continenten waren Wegeners sterkste troef. Iedereen weet dat de contouren van Afrika en Zuid-Amerika als puzzelstukjes in elkaar passen. Maar een geoloog die de twee continenten in gedachten verenigt, ziet ook dat hun gebergten, breuklijnen en aardlagen in elkaar over lopen.

‘Het is alsof we de stukken van een verscheurde krant naast elkaar leggen en nagaan of de gedrukte regels in elkaar over lopen. Als ze dat doen, kunnen we niet anders dan concluderen dat de stukken eens verbonden waren’, schreef Wegener daarover in zijn boek Die Entstehung der Kontinente und Ozeane (1928).

Ook paleontologische vraagstukken waren met schuivende continenten opgelost. Het was natuurwetenschappers al eerder opgevallen dat fossiele vondsten op verschillende continenten sterk op elkaar konden lijken. Zo ontdekte de Britse geoloog en ontdekkingsreiziger Raymond Priestley een versteende plantenstengel in een rotsblok die hij uit Antarctica had meegenomen. Een collega herkende de plant: hij had soortgelijke fossielen in Zuid-Afrika gevonden.

Ook de huidige flora en fauna van een gebied lijken soms op fossiele vondsten die elders zijn gedaan. Zo zijn fossiele en levende lemuren zijn alleen gevonden India en Madagaskar, maar nergens anders. Tegenwoordig zijn deze landmassa’s door vele kilometers oceaan gescheiden, redeneerde Wegener, maar ooit moeten ze aaneengesloten gebieden hebben gevormd waarover planten en dieren zich vrij konden verspreiden.

Het grootste obstakel waar Wegener voor stond, was om uit te leggen hoe continenten van de ene kant van de wereld naar de andere verschoven. Hij was zich ervan bewust dat dit de achilleshiel van zijn theorie zou worden. ‘Ik geloof niet dat de tijd rijp is voor het achterhalen van oorzaken [van de continentverschuiving]’, schreef hij in 1912. Toch waagde hij later een poging. Hij opperde dat continenten als ijsbrekers door de bodem van de oceaan ploegen. Misschien dat de ‘poolvliedende kracht’, veroorzaakt door de rotatie van de aarde, de continenten in de richting van de evenaar dreef.

Nog geen miljoenste

Wegeners tijdgenoten waren niet onder de indruk. De oceaankorst is solide, daar ploegt geen continent doorheen. Oceaankorst biedt juist weerstand tegen de druk van continentale korst. Zie de bergruggen die zijn ontstaan rond de Grote Oceaan. En de poolvliedende kracht speelt ook niets klaar. De geofysicus Harold Jeffreys schatte dat die nog geen miljoenste bedroeg van wat nodig is om continenten te laten schuiven. Wegeners ploegende landmassa’s werden snel en terecht neergesabeld.

Britse geologen hadden wel sympathie voor Wegeners ideeën en de stoutmoedigheid waarmee hij die presenteerde, maar bij hun Amerikaanse collega’s schoten de schuivende continenten in het verkeerde keelgat. Sommige wetenschapshistorici denken dat dat komt doordat Wegener geen plausibel mechanisme wist te bedenken, anderen suggereren dat de theoretische aanpak van Wegener indruiste tegen de experimentele Amerikaanse inborst. Bovendien waren de Amerikanen wel érg gecharmeerd van de (Amerikaanse) evenwichtstheorie, waarin werd aangenomen dat de aarde met een gelijkmatige korst bedekt was.

De fantasie van de Amerikanen was te klein om bewegende continenten voor te stellen, maar groot genoeg om een statische aarde recht te praten. Om te verklaren waarom op verschillende plekken dezelfde fossiele planten en dieren werden gevonden, zogen Willis en Schuchert bijvoorbeeld landbruggen uit hun duim, zoals de Panamese landengte die nu Noord- en Zuid-Amerika verbindt. Ze bedachten er eentje tussen Brazilië en Afrika, Afrika en Antarctica, Antarctica en Australië, etcetera. Voor geen van deze landbruggen bestond ook maar een greintje bewijs.

Anderen gingen nog een stap verder. Zij kwamen met complete verzonken continenten op de proppen, zoals ‘Lemuria’, dat Madagaskar en India zou hebben verbonden.

Niet iedereen stelde deze geologische verbeeldingsdrift op prijs. De zoöloog Gaylord Simpson schreef in 1943 een artikel waarin hij afrekende met zowel bruggenbouwers als continentenschuivers. Landbruggen bestonden niet. Continenten bewogen niet. De aarde was zoals hij was en zal ook altijd zo blijven. Punt.

Dat was de stand van de discussie, toen geofysici in de jaren ’50 een simpel experiment begonnen: ze sleepten een magnetometer over de bodem van de Atlantische Oceaan zakken, en brachten zo de magneetvelden ervan in kaart. De zeebodem bleek magnetisch ‘gestreept’. Na een paar kilometer noord volgde zuid, gevolgd door noord en weer zuid. En na het passeren van de Mid-Atlantische rug draaide dat patroon zich om: zuid, noord, zuid, noord.

De wetenschappers kwamen met een elegante verklaring voor dit verschijnsel. In het verleden moet het aardmagnetisch veld een aantal keer zijn ‘omgeklapt’. De magnetische mineralen in de korst oriënteerden zich in de richting van het magnetische veld zolang die korst nog vloeibaar was. Zodra die was gestold, was de stand van het huidige magnetische veld ‘bevroren’ in de bodem.

Het nieuwe dogma

Het noord-zuidpatroon strekt zich uit over de gehele zeebodem, dus er moet voortdurend nieuwe korst gevormd worden. Dit inzicht leidde tot het concept van de tektonische platen, of schollen. Waar twee platen uit elkaar gaan, rijst nieuw materiaal uit de aardmantel naar boven. In troggen, waar de ene plaat onder de andere schuift, wordt oceaankorst weer vernietigd.

Dit was het mechanisme waar Wegener zo lang naar op zoek was. Vernietiging en creatie van oceaanbodem doen oceanen en continenten schuiven. Binnen een decennium accepteerde de geologische gemeenschap het bestaan van platentektoniek en continentverschuiving. Wat een eeuw geleden nog controverse was, werd het dogma van vandaag. Wegener-aanhanger Alexander du Toit schreef in zijn boek Our Wandering Continents (1937) al dat twijfelaars pas bekeerd zouden worden als er een overtuigend mechanisme voorhanden was – hij kreeg gelijk.

De toenmalige tegenstanders van Wegener geven het beeld van de neutrale wetenschapper die zich laat leiden door feiten een fikse deuk. ‘Feiten spreken nooit voor zichzelf, ze worden in het licht van theorieën gelezen’, schreef Gould in zijn essay zijn essay The Validation of Continental Drift. Dat is niet erg; dat is hoe het gaat.

Wegener heeft nooit geweten van zijn gelijk. Hij stierf in 1930, op expeditie in Groenland.