Ik heb best een stekelige persoonlijkheid

In het eerste interview na haar vertrek maakt de voormalige leider van GroenLinks Femke Halsema de balans op. „Ik ken de angst om niet meer gehoord te worden.”

Niet het mislopen van regeringsmacht is haar grootste teleurstelling. Noch de verloren verkiezingen. Wat Femke Halsema met spijt vervult na haar jaren als partijleider, is dat serieuze samenwerking op links niet van de grond is gekomen. „Een doorbraak bleef uit.”

Na het mislukken van Paars Plus ( VVD, PvdA, D66 en GroenLinks) dacht ze dat links doordrongen was van „de ernst van de situatie”. Maar nee. „Je zag al heel snel dat het interne mechanisme om zelf sterker te worden het verlangen versloeg om samen te gaan. Misschien lukt het alleen als echt álle linkse partijen op verlies staan in de peilingen, ook SP en D66. Zo is GroenLinks ook tot stand gekomen, zij het te laat.

„Politici leven in electoraal onzekere tijden: de kiezersvoorkeur vliegt zo weg. Toch zijn grote stappen nodig, dat weten politici zelf ook. Dus blijf ik hopen op iemand die durft te zeggen: ‘Dit doe ik. Take it or leave it’. Een beetje Zivilcourage graag.”

Mark Rutte? „Die zou dat kunnen. Hij heeft er de bagage voor. Helaas zit hij de hele tijd zijn knopen te tellen. Ook hij is bang om een flinke stap vooruit te zetten en dan te zien waar het schip strandt. Omdat hij net als de rest bang is dat hij dat politiek niet zal overleven.

„In dat opzicht kunnen politici wat leren van Geert Wilders. Die zet wel stappen in het onzekere en bouwt daar zijn populariteit op. Het zijn verkeerde stappen, maar hij zet ze. Gematigde politici zijn volgzaam geworden. Ik denk dan: kom op zeg!”

Zoals ze denkt en zoals ze praat, lijkt ze niets veranderd. Maar dat is schijn, zegt Halsema zelf. De oud-politica heeft zichzelf het afgelopen jaar „opnieuw uitgevonden”.

Ze zegt het in ernst. Tegelijk laat Halsema grote woorden over zichzelf altijd volgen door een zelfrelativerende opmerking. Na de zoveelste koffie verkeerd roept ze uit: „Natuurlijk denk ik ook wel: oh, oh, oh, wat ben ik een wandelend cliché. 45 jaar oud, van baan gewisseld, mezelf opnieuw aan het uitvinden…”

Buiten is het windstil en grijs. Halsema heeft net genoten van de film Gooische vrouwen, thuis op de bank. Op klaarlichte dag. „Heerlijk! Dat kon vroeger niet.” Net zo min als „serieus nadenken.” Halsema: „In de politiek volgen de gebeurtenissen elkaar daarvoor te snel op.”

Het nieuwe leven biedt ruimte tot beschouwen en dat bevalt.

Zei u destijds ook tegen uzelf: kom, een beetje meer durf graag?

„Ja. En waar ik trots op ben, zijn ook twee momenten waarop ik groot risico nam. Zo ben ik het debat over de verzorgingsstaat op links gaan voeren, met een pleidooi voor een vrijere arbeidsmarkt, Vrijheid eerlijk delen, een notitie die op veel weerstand stuitte in eigen kring.

„Verder ben ik er trots op dat ik het vrije woord heb verdedigd en tegelijk de vrijheid van godsdienst. Tijdens de opkomst van Ayaan Hirsi Ali weigerde ik mee te gaan in de tweedeling: als je rechts bent, houd je van haar en als je links bent, veroordeel je haar. Natuurlijk, ze maakte kwaadaardige opmerkingen over allochtonen en de islam. Sommige linkse mensen waren daar bijna persoonlijk door gekwetst. Ik besloot al snel dat ik het in veel opzichten met haar eens was; we hebben in Nederland een groot probleem met allochtone vrouwen die te weinig kunnen meegenieten van de vrouwenemancipatie. Tegelijk ben ik het niet met haar eens dat je die vrouwen allerlei rechten moet ontnemen; ze met de zweep moet dwingen te emanciperen. Maar ik verdedigde het vrije woord en dat bracht me ertoe haar, en andere tegenstanders te verdedigen, zelfs Geert Wilders. Dus kwam ik onder vuur te liggen van rechts én links.”

Maar eenzaam was dat niet. „Een zekere mate van omstredenheid is leuk. Zolang het om opvattingen gaat. Die kun je zelf regisseren.”

Omstredenheid vereist publieke belangstelling. Mist u die?

„Daar ben ik ambivalent over. Het lastige is… je valt uit een collectief. Ik heb vanaf mijn 31ste in de politiek gezeten. Ik ben nu 45. Als je accountant bent en je wisselt van bedrijf, ben je nog altijd accountant. Ik was politica en verliet de politiek. En ik wil geen bestuurder worden, dan blijf je hangen in de wachtkamer van de politiek. Ik wil opnieuw beginnen. Dat is niet altijd makkelijk. Warren Beatty zei over Madonna, zijn ex: ‘Als de camera’s niet draaien, bestaat ze niet.’ Dat herken ik wel. Ik heb ook wel korte momenten van paniek gekend, vooral die eerste maanden.”

U was verslaafd aan op tv komen?

„Nee, zo simpel is het niet. Maar ik ken de angst om niet meer gehoord te worden. Dat je dan ophoudt te bestaan. Dat is natuurlijk een absurde en ook larmoyante gedachte. Na mijn vertrek uit de politiek keerde ik terug in de samenleving, waar iedereen eenzelfde leven leidt als ik. Daar is niets non-existents aan.”

„Ik had lang naar deze verandering uitgekeken, maar toen die zich voltrok, kwam ook de confrontatie: ik neem wel mezelf mee. Net als al die mensen die hopen op een nieuw bestaan in een ver land. In een van de eerste weken liep ik naar Albert Heijn. Voor me blokkeerde iemand de stoep, met kinderwagens en al. Ik ben gewend om stevig door te lopen, want ik had altijd haast. Dus ik ergerde me rot. Tot ik tegen mezelf zei: Halsema, die Albert Heijn is nog uren open en wat moet je vandaag eigenlijk allemaal? Heel weinig. Dus waar wind je je over op? Tegelijk tel ik elke dag mijn zegeningen. Zo kan ik tegenwoordig zelf kiezen met wie ik omga. Bij de politiek hoort dat je altijd in kringen verkeert van mensen die je zelf niet hebt uitgekozen.”

Zoals de ‘kring’ van GroenLinks. Halsema’s ambivalente relatie met de eigen achterban was voor haar directe omgeving altijd zichtbaar. Op partijcongressen voelde ze zich niet erg thuis en ze leek grote moeite te hebben met de archetypische GroenLinks-stemmer. Het beeld: een milieuactivist met een linnen tasje op leren sandalen. Ze ziet het als een van haar verdiensten, zegt ze, dat GroenLinks „uit die hoek” is weggekomen. Een bewijsstuk: onder haar leiding kwam het partijprogramma altijd goed uit de CPB-doorrekeningen. „Niks geen luchtfietserij. Helaas was er altijd wel een journalist die een archetypische GroenLinkser vond om weer een beeld te schetsen van een partij vol bomenknuffelaars gespeend van enige realiteitszin.”

Frustrerend? Nee, want de werkelijkheid veranderde snel. Het beeld zou volgen. Maar raakte de partij daarmee niet ook iets waardevols kwijt? Nee, zegt Halsema. Activisme kan goed zijn. „Ik sta ook op de barricaden als dat nodig is”, zeg ze. „Maar activisme als levensstijl, daar houd ik niet van, zeker niet van de morele superioriteit die je vaak bij beroepsactivisten ziet. Neem de Occupybeweging. Die was dood geboren toen ze, anders dan in Amerika, geen steun vond bij werkende mensen met gewone zorgen en onzekerheden. Het kwam direct in de hoek van mensen die vandaag tegen het dood knuppelen van zeehondjes zijn en morgen tegen de komst van een kerncentrale of het afschaffen van de ov-studentenkaart.”

Halsema heeft GroenLinks mede gevormd. Heeft ze de boel niet verweesd achtergelaten? Nee, dat ziet ze niet zo. Ja, de partij „worstelt”, en dat doet wel pijn. Natuurlijk speelt haar vertrek daar een rol in, erkent ze. Maar belangrijker, meent ze, is de volstrekt nieuwe situatie: een minderheidskabinet met een gedoogpartner. „De eerste reactie op dit kabinet was: er hard tegenaan. Maar dat blijkt niet te werken. Mark Rutte doet voortdurend een moreel en politiek appèl op ze. En dan is er natuurlijk ook een nieuwe leider bij GroenLinks, dat maakt het niet eenvoudiger. Ik heb Jolande [Sap – red.] voorspeld dat ze het moeilijk zou krijgen. Omdat ik me realiseer dat ik het ook heel moeilijk heb gehad in het begin. Mensen moeten aan je wennen. Ook politieke intuïtie ontwikkel je gaandeweg, die heb je niet in één keer.”

Het is u wel gelukt. Hoe?

„Dat heeft veel met gewenning te maken. Ik heb best een stekelige persoonlijkheid. Mensen vinden me leuk of haten me. Ik merk het nu nog via Twitter: mensen kunnen echt een enorme weerzin tegen mij hebben. Anderen zijn aan me gewend. Je wordt deel van hun behang. Waar ze eerst over vielen, zoals mijn accent of mijn stem, die horen ze niet meer. En dán gaan ze beter luisteren. Dan worden je grapjes ook opgepakt. Heel voorzichtig kun je je dan enige zelfspot veroorloven, wat gevaarlijk is als politicus. Eigenlijk een no-go. Dat was de klassieke fout die Agnes Kant maakte, toen ze Marijnissen had opgevolgd als SP-leider. Ze stelde zichzelf ter discussie. Zo van: ja, ik ben ook te fel, ik moet nog veel leren. Dat was heel sympathiek, maar verkeerd. Want in plaats van dat mensen begrip voor haar en haar situatie kregen – ze ziet het zelf, dus laten wij even dimmen – ging iedereen er keihard overheen. Mensen zijn weinig hoffelijk bij zelfkritiek of erkenning van je kwetsbare, zwakke kanten.

„Zelfrelativering is bij politici nooit in trek. Hoeveel mannelijke politici ken jij die zichzelf relativeren? Mark Rutte misschien. Maar wie goed oplet, ziet dat hij, onlangs die losse stijl, nooit zichzelf relativeert, altijd de omstandigheden. Als hij naar Obama gaat, doet hij daar extreem luchtig over. De ontspannenheid die daaruit spreekt, waarderen mensen. Maar Rutte zal niet snel zeggen: ‘Hier ben ik gewoon niet goed in’. Of: ‘Daar kom ik weer met mijn lachende hoofd’. Vergeet het maar, zoiets zegt hij niet.”

Hij schijnt soms driftig te worden. Heeft u dat meegemaakt?

„Ja, tijdens de formatie. Wij wilden korten op defensie, hij op ontwikkelingssamenwerking. De discussie liep uit de hand. Hij beende weg en gooide de deur per ongeluk in het gezicht van Alexander [Pechtold]. Ik ben hem achternagelopen, en toen hebben we het meteen goed gemaakt. Ik voel me nog altijd bevriend met hem. Ondanks zijn drukke programma heb ik hem nog behoorlijk vaak gevonden sinds mijn vertrek.”

Wat was de grootste leugen waar u in de politiek tegenaan liep?

„Het meest voor de hand liggende antwoord is: Tara Singh Varma. Zeggen dat je kanker hebt, en dat niet hebben. Maar dat was geen leugen om zelf beter van te worden… Het waren uitingen van een verwarde geest. Ik ben daar toen door van streek geweest. Er is zo’n tv-fragment van mezelf achter haar rolstoel – dat is eindeloos herhaald en telkens schaam ik me weer rot.”

En de belangrijkste leugen?

„Die eer krijgt Ruud Lubbers, in de formatie van 2010. Hij beweerde dat links de coalitie met de PVV wilde. Hij heeft een verdraaid beeld gegeven van het vertrouwelijke advies dat hij van mij had gekregen, om zelf geen verantwoordelijkheid te hoeven dragen voor de samenwerking tussen PVV en CDA. Het was Lubbers zelf die dit kabinet mogelijk heeft gemaakt. Zijn leugen vond ik schaamteloos en van groot belang voor het land, die zal ik nooit vergeten.”

Leugens als die van Lubbers zijn niet goed voor het aanzien van de politiek, meent Halsema. Maar evenmin goed, zegt ze, zijn politici die met dedain over het eigen vak praten. „Het ergert me mateloos als politici zeggen dat de Haagse politiek niets voorstelt, dat politici zwakke krachten zijn, dat de echte besluiten elders worden genomen. Zelfs als dat waar is, is dat het effect van politieke besluitvorming. Vermarkting is een politieke beslissing geweest. Het doet er toe wat in Den Haag gebeurt; als politicus moet je niet meewaaien met de mode om alles wat Haags is naar beneden te praten.”

Sjiek populisme?

„De elite kijkt neer op de politiek. Ze toont nauwelijks positief engagement. Columnisten wedijveren om de meest negatieve typeringen van politiek. Scenarioschrijvers die politiek drama maken, nemen niet de moeite in het parlement te komen kijken. Anders dan in de VS bestaat hier geen liefde voor het democratische proces, het parlementaire spel.”

Alsof politiek een aberratie is?

„Een rare hobby. Jaren geleden sprak ik over cultuur in de Kamer. Ook toen waren er verhitte discussies over bezuinigingen. Een bekend acteur zei verontwaardigd: ‘Ik bemoei me nooit met jullie. Dan zouden jullie ook het fatsoen kunnen opbrengen je niet met ons te bemoeien.’ Die opmerking heeft me toen pislink gemaakt. Het geeft zo’n beetje weer hoe de culturele elite denkt over politiek.”

Ook u zegt nu meer geïnteresseerd te zijn in internationale machtsverhoudingen dan in binnenlandse politiek.

„Maar dat wil niet zeggen dat ik op Nederlandse politiek neerkijk. Het belangrijkste verschil is dat ik nu in eerste instantie kwesties probeer te doorgronden, zonder er direct een mening over te hebben. Neem het Saoedische initiatief ‘women2drive’, waar vrouwen het verbod op autorijden trotseren en filmpjes daarvan op Facebook zetten. Zoiets verandert verhoudingen, langzaam, maar onomkeerbaar. Dat boeit me mateloos.”

U reageert u nog altijd woedend als er op radio of tv iets negatiefs over u gezegd wordt.

„Als er onzin over me wordt gezegd, sla ik van me af.”

Zoals onlangs. WNL-presentator Joost Eerdmans beweerde dat u om politieke redenen uw kinderen van een gemengde school had gehaald.

„Onzin. De tweeling is naar een andere gemengde buurtschool gegaan omdat ze in aparte klassen moesten kunnen zitten. Ik verweer me tegen kwaadsprekerij over mijn gezin. Ik denk dat we sowieso beter moeten nadenken over de enorme maatschappelijke invloed van media.”

Vroeger reageerde u vaker?

„Ja. Jarenlang was de krant voor mij een dagelijkse bron van ergernis. Ik kon daardoor ook niet meer beoordelen wat interessante verhalen waren. Je moet je voorstellen: als politicus sla je iedere krant open met de gedachte dat er een bom in kan zitten. Het einde van de goede peilingen, van je partij wellicht. En als je altijd in de angst leeft dat er iets negatiefs over je geschreven wordt, veroorzaakt dat een enorm gespannen verhouding met de media. Je bent geen nieuwsconsument meer, maar een nogal subjectieve nieuwsbeoordelaar. Je staat altijd in de verweerstand. Ik merkte dat ik maanden na mijn afscheid voor het eerst in jaren weer met plezier een krant opensloeg.”