Goed, dit was mijn leven, 't is op

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

Vandaag had ik iemand op bezoek die vroeg: ‘Hoe is het nou om hier in een hospice te liggen?’ Ik riep: ‘O, da’s echt het einde!’ Eerst keek hij raar, toen moest hij lachen. Ik bedoel het ook zo dubbelzinnig als ik het zeg. Er wordt hier ontzettend goed voor me gezorgd. Ik krijg een hoop bezoek. Daar heb ik echt geen woorden voor, zo goed voelt dat allemaal. Tegelijk weet ik dat ik in dit bed op het einde lig te wachten. Het duurt wat langer dan ik had gedacht. De laatste weken begin ik te merken dat het niet lang meer kan duren.

„Toen december kwam, dacht ik: als ik maar niet doodga op Eerste of Tweede Kerstdag, of bij de jaarwisseling. Voor mij maakt het niks uit, maar ik zou het vervelend vinden voor mijn familie. Ik wil niet dat ze met Kerst of oud en nieuw moeten denken: toen is Leen doodgegaan. Kerst heb ik gehaald, gelukkig, en de jaarwisseling hebben we nu ook bijna gehad. Daarna mag het wat mij betreft gebeuren, ik ben er klaar voor.

„Ik vond het een opluchting toen ik eind september hoorde dat de dokters niks meer voor me konden doen. Ik had er ook onmiddellijk vrede mee. Goed, dit was mijn leven dus, ’t is op. Een mens moet ergens aan doodgaan, toch?

„Het moeilijkste had ik toen net achter de rug. In de zomer ben ik verschrikkelijk ziek geweest. Diarree, misselijk, duizelig. Nog geen kop thee kon ik voor mezelf zetten. In het ziekenhuis kreeg ik het ene onderzoek na het andere. Zo beroerd zijn, niet meer voor mezelf kunnen zorgen, plus de onzekerheid over wat er uit dat onderzoek zou komen – dat dat vond ik echt heel zwaar.

„Ik ben altijd nogal op mezelf geweest. Ik kan heel goed alleen zijn. Ik werkte ook het liefst in m’n eentje, deed niet graag een klus met een collega samen.

„Tussen 1964 en 1974 heb ik over de wereld gezworven, vooral op het zuidelijk halfrond. Ik werkte voor de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, die later opging in een grotere rederij. Indonesië, China, Japan, Zuid-Amerika – in die hoek gingen we met vracht heen en weer.

„Als ik met verlof kwam, kon ik bij m’n vader en moeder terecht. Ik ben ook bij hen gebleven toen ik in 1974 weer aan de wal kwam te werken. Mijn moeder overleed in 1990, mijn vader in 2000. Tien jaar heb ik voor m’n vader gezorgd: eten koken, klusjes in huis. Mijn twee zussen deden de was. Mijn vader had geen tijd voor het huishouden. Hij was timmerman/aannemer. Tot z’n negentigste heeft hij gewerkt. De mensen bleven ’m maar vragen voor klussen en hij deed het graag.

„Ik heb mezelf eind 2002 met pensioen gestuurd, een half jaar voor m’n zestigste. Ik heb geen vrouw, geen kinderen om voor te zorgen, geen duur huis. Ik kon het wel uitzingen tot m’n AOW. Achteraf ben ik blij dat ik zo vroeg ben gestopt met werken. Daardoor heb ik zes mooie, gezonde jaren gehad, totdat ik drie jaar geleden last kreeg van de Ziekte van Kahler en chemokuren.

„Ik heb genoten van mijn fietstochten. Hele dagen was ik op pad, van ’s ochtends negen tot ’s middags vier, brood mee, flesje melk, heerlijk. Aan grote reizen maken heb ik totaal geen behoefte gehad. Ik had de wereld al gezien toen ik voer. Al die drukte op Schiphol, in zo’n benauwd vliegtuig zitten – niks voor mij. Geef mij de rust en de ruimte maar, de polders en het water, daar heb ik me thuis gevoeld.

„Ik heb een mooi leven gehad en ik zal er niks van merken als ik straks dood ben. Over en uit. Hier in het hospice komt tweemaal in de week een geestelijk verzorger langs die een keer vroeg: ‘Heeft u wel eens nagedacht over het eeuwig leven?’ Ik zei: ‘Ik wil er niet over praten. U heeft daarover vast hele andere gedachten dan ik. Dan krijgen we een discussie en daar heb ik geen behoefte aan.’ We praten nu over van alles en nog wat, maar niet over ingewikkelde dingen – zoiets is aan mij niet besteed.

„Ik vind het ’t moeilijkst mijn familie achter te laten. Mijn twee zussen en m’n jongere broer, met aanhang, kinderen, kleinkinderen – allemaal komen ze bij me op visite, ook de jonge garde. Omdat ik alleen was en in het ouderlijk huis ben blijven wonen, was ik een beetje de spil van de familie. Dat is straks voorbij. Ik hoop dat ze een manier vinden om elkaar toch te blijven zien als er straks niet meer ben.”

Tekst & foto’s Gijsbert van Es

Wie wil meewerken aan deze rubriek kan een e-mail sturen naar laatstewoord@nrc.nl.Twitter: #hetlaatstewoord