En ook nog bevroren eieren

Wetenschap Achteraf blijkt Amundsens pooltocht nog wel wat nut te hebben gehad, maar zelf had hij weinig op met wetenschap. Scott had er meer mee.

A handout picture released by the Scott Polar Research Institute (SPRI) at the University of Cambridge on December 7, 2011 as part of the exhibition at Cambridge university about Captain Scott's polar expedition entitled ?These rough notes and our dead bodies...? and taken sometime between 1910 and 1913 shows members of the expedition Lieutenant Henry Robertson Bowers (L), Edward Wilson (C) and Apsley Cherry-Garrard (R) beside their sledge just before starting for their winter journey to Cape Crozierat during the British Antarctic Expedition, 1910-13, also known as Terra Nova. Laying bare their dejection and determination, the story of Robert Scott's bid to become the first to reach the South Pole is being told by the men themselves, 100 years on from the ill-fated expedition. Letters, diaries and photographs from the Terra Nova expedition are on show in Britain to mark the centenary of Captain Scott's doomed attempt, many being seen for the first time. AFP PHOTO/ SPRI/ HERBERT PONTING RESTRICTED TO EDITORIAL USE - MANDATORY CREDIT "AFP PHOTO/ SPRI/ HERBERT PONTING " - NO MARKETING NO ADVERTISING CAMPAIGNS - DISTRIBUTED AS A SERVICE TO CLIENTS - NO ARCHIVE - ONLY FOR USE TO ILLUSTRATE AFP STORY ABOUT THE SCOTT EXHIBITION: Antarctica-Norway-Britain-history-exploration-Scott BY PAUL BARBER AFP

Op 17 januari 1912 bereikte Robert Scott met vier expeditieleden de zuidpool – vijf weken nadat de Noor Roald Amundsen daar al was geweest. Scott had de race verloren omdat hij getroffen werd door uitzonderlijk slecht weer en omdat hij gehandicapt werd door al het wetenschappelijk werk dat hij op zich had genomen. Zo stellen de Britten het graag voor, en de laatste jaren worden ze daarin door steeds meer Amerikanen gesteund. Er is langzaam verzet ontstaan tegen de vernietigende analyse die de Britse historicus Roland Huntford in 1979 maakte van leiderschap en organisatievermogen van Scott.

En wat waar is is waar: Amundsen heeft zich tijdens zijn verblijf op de zuidpool nauwelijks om de wetenschap bekommerd. Hij was zelf niet zo’n studiehoofd en had tijdens een eerdere, Belgische expeditie naar de zuidpool (1897-1899) gemerkt dat wetenschappers makkelijk een last konden worden. Ze ondermijnden het gezag van de expeditieleider. Hij begreep wel dat wetenschappelijk onderzoek het aanzien van een expeditie verhoogde en hij had daarom tijdens zijn noord-westpassage (1903-1906) ook wat magnetisch onderzoek laten doen maar veel verder wilde hij toch niet gaan.

Meteorologische metingen

Op dringend advies van Fridtjof Nansen liet hij het expeditieschip Fram dat hem in 1911 afzette op Antarctica oceanografisch onderzoek doen tussen Zuid-Amerika en Zuid-Afrika, onderzoek aan temperatuur en zoutgehalte van het zeewater, maar op de zuidpool zelf zag hij van wetenschapsbeoefening af. Ja, voor de vorm nam hij een partij stenen mee terug en de amanuensis van het Mineralogisch Instituut in Christiania (Oslo) heeft nog erg zijn best gedaan die als waardevol te beschrijven.

Amundsen beperkte zich op Antarctica tot meteorologische metingen, die natuurlijk in de eerste plaats moesten beschrijven hoe koud het was geweest. Maar tijdens de sledetocht naar de pool zelf deed hij nóg iets verstandigs: hij bepaalde geregeld de hoogte waarop hij zich bevond. Dat deed hij met een hypsometer, een toestel dat de kookpuntsdaling van water meet. Daaruit kan de druk en vervolgens de hoogte worden afgeleid. Gewone barometers waren niet tegen kou en transport bestand.

Aardig genoeg hebben Amundsens kleine inspanningen toch nut gehad. In de eerste plaats viel eruit af te leiden dat de ijsvlakte waarop hij zijn basis had gebouwd een drijvende vlakte was. Het zogenoemde shelf-ijs was weliswaar erg dik, maar over honderden kilometers volmaakt horizontaal. Het was in feite een uitvloeisel van reusachtige gletsjers dieper in het binnenland. Inzicht in het gedrag van dit soort ijsmassa’s is onder de dreiging van klimaatverandering steeds belangrijker geworden.

Uit het weerkundig werk van Amundsen bleek – achteraf – dat de zware orkanen die geregeld over Antarctica razen maar heel lokaal zijn en dat Scott wat dat betreft zijn hut op Ross Island, een paar honderd kilometer ten westen van Amundsen, wel heel ongunstig had geplaatst. Het stormde er bijna voortdurend en de invloed van wind is veel groter dan die van de temperatuur. De Amerikaanse onderzoekster Susan Solomon, die de strijd met Roland Huntford is aangegaan, meent te kunnen bewijzen dat Scott het werkelijk veel zwaarder had.

Scott was ook al geen studiehoofd, zelfs geen poolenthousiast; hij was als marineofficier aan poolreizen begonnen omdat hij hoopte zo sneller hogerop te komen. Ook hij had zich bij een eerdere tocht, met de Discovery (1901-1904), allerlei wetenschappelijk werk laten opdringen, omdat hij onder de vlag van de Royal Geographical Society uitvoer. De meteorologische waarnemingen die door marineofficieren waren uitgevoerd bleken achteraf van zo abominabele kwaliteit dat de Britse Physical Society zich afvroeg of je Scott niet voor een ‘scientific court martial’ kon brengen. Ook het cartografisch werk van de marinemannen, eigenlijk het hoofddoel van de toenmalige expedities, was belabberd en moest later worden overgedaan.

Maar Scott kreeg respect voor wetenschap en wetenschappers en was niet bang dat zij zich boven zijn strenge marinediscipline durfden stellen. Zijn laatste expeditie kan met recht een wetenschappelijke expeditie genoemd worden. Hij trok gekwalificeerde meteorologen, biologen, geologen en zelfs een fysicus aan en zij kregen behoorlijk instrumentarium mee. De fysicus had een winkel van Sinkel bij zich voor onderzoek aan magnetische stormen, zwaartekracht, atmosferische elektriciteit en de net ontdekte radioactiviteit.

Het schip Terra Nova werd, na het afzetten van de expeditie, net als de Fram ingezet voor kustkartering en oceanografisch onderzoek: weer temperaturen en zoutgehaltes meten tot op grote diepte om zeestromingen in kaart te brengen, maar ditmaal uitgebreid met planktononderzoek en onderzoek van bodemmonsters. Al dit werk is achteraf van grote waarde gebleken.

Fabelachtige opofferingen

Hoogtepunten van het wetenschappelijk werk van Scott c.s. zijn nog onlangs beschreven in Nature (1 december) en Endeavour (online 3 november). Susan Solomon toont zich in haar boek The Coldest March (2001) vooral onder de indruk van meteoroloog George Simpson, de eerste die weerballonnen opliet op de zuidpool.

De fabelachtige opofferingen die de bioloog Edward Wilson zich getroostte voor de wetenschap spreken tot de verbeelding. Hij was het die een winterreis door diepe duisternis en ongekende kou organiseerde om bebroede eieren van een kolonie keizerpinguïns te verzamelen. Zijn kleine ploeg van drie man, hier op de foto, schoot er bijna het leven bij in. En de mislukking was totaal. Het vermoeden was dat pinguïns zó primitieve vogels waren dat in hun embryo’s nog reptielkenmerken zouden zijn te vinden. Dat bleek niet het geval. Maar ook bleek het niet mogelijk eieren onder de pinguïns weg te halen zonder dat ze kapot vroren.

Wilson vergezelde Scott op diens fatale sledetocht naar de pool zelf. Hij kreeg de diepe teleurstelling te verwerken daar niet als eerste te arriveren. Daarna kwamen de honger, de bevriezingen, de uitputting en het besef dat de kans op overleving nihil was. In deze toestand wist hij Scott toch te bewegen wat tijd vrij te maken voor wetenschappelijk onderzoek. Bij het passeren van het Transantarctisch gebergte verzamelde hij stenen die hem de moeite waard leken. Roland Huntford heeft dit ridicuul genoemd. Maar later zijn daarin fossiele plantenresten aangetroffen die het bewijs leverden dat Antarctica ooit aan de andere continenten vast zat. De stenen lagen bij de tent waarin laat in 1912 de lichamen van Scott en Wilson, en ook luitenant Bowers, werden gevonden. Ze hadden ze meegezeuld tot het bittere eind.

    • Karel Knip