Eeuwgedachten

En zouden de mensen in 1912 ook anders gedácht hebben dan nu?

Die vraag komt op en het is meteen duidelijk dat er iets mee aan de hand is. Het is een vraag die voortdurend verandert als je er in gedachten omheen loopt. Aan de ene kant: natuurlijk dachten de mensen honderd jaar geleden anders dan nu. De meeste mensen denken al anders dan hun buurman en dus zeker anders dan iemand van een eeuw geleden. ‘The past is a foreign country’, begon L.P. Hartley zijn roman The Go-Between (1953), ‘they do things differently there’. Aan de andere kant: het is onwaarschijnlijk dat de mens als soort in honderd jaar zo sterk veranderd is dat het menselijk denkproces tegenwoordig anders verloopt. En: Hartley formuleerde vijftig jaar geleden (halverwege) kennelijk een gedachte die nu nog steeds volop geldig is en daarmee zichzelf nog lijkt tegen te spreken ook. ‘Het verleden is een ander land’ – ja, dat dachten ze vroeger ook al, dat zal dus wel meevallen.

Maar er is nog iets anders met die vraag. Iets wat hem een beetje dom maakt, of toch in elk geval ongemakkelijk. Het is een vraag die correct beantwoord kan worden met ‘ja’, ‘nee’, ‘dat weten we niet’ en ‘hoe bedoel je?’ en dus is hij niet exact genoeg verwoord. Wat betekent het om te vragen of mensen ‘anders dachten’? Dachten ze andere dingen? Redeneerden ze anders? Dachten ze louter ‘talig’ anders dan wij nu, omdat hun taal anders was, of dachten ze ook ‘intuïtief’ anders – en wat is dat dan? Waren hun hersenen anders georganiseerd? En zijn dit alle mogelijke interpretaties of zijn er nog meer? Het gekke is dat het lijkt alsof er een nog interessantere vraag achter zit, een vraag die informeert naar iets heel dieps en fundamenteels over het menselijk bestaan, maar probeer die maar eens te formuleren.

Hoe ging dat vorig jaar bij The Edge? Edge.org is een website waarvan de makers elk jaar expres een vraag bedenken waarop veel verschillende antwoorden mogelijk zijn. Die leggen ze voor aan wetenschappers en andere denkers. In 2010 vroegen ze: ‘Hoe verandert het internet de manier waarop u denkt?’ Zonder verdere uitleg, de 172 uitverkoren slimmeriken van het jaar mochten zelf weten hoe ze ‘de manier waarop u denkt’ interpreteerden. De volgende alinea bevat zo’n beetje de strekking van hun antwoorden.

We besteden steeds meer van wat je denken kunt noemen uit aan internet. Internet synchroniseert ons. Het is ons persoonlijk en collectief geheugen. Goed kunnen zoeken is belangrijker dan weten. Zoeken hoeft vaak niet eens: je kunt ook een vraag stellen en op antwoord wachten – bedrijven noemen dat crowd sourcing, twitteraars noemen het #durftevragen. We kunnen alles leren. Informatie is niet schaars; we moeten vooral leren wat weg te gooien. We delen onze gedachten steeds sneller met een steeds grotere groep mensen. We maken minder gebruik van lichamelijke, directe informatie en meer van tekst en beeld. Toch hebben we daar plezier in, ook seksueel en andersoortig sociaal plezier. We hebben samen meer en sneller interessante ideeën en die worden ook sneller vervangen, maar per persoon hebben we er minder. We zijn sneller afgeleid. We zijn voortdurend ingeplugd, dagdromen minder. Mooie gedachte: misschien is slaap voor de hersenen wat ‘offline gedrag’ is voor het grote, collectieve internetbrein.

Deze samenvatting doet de 132.000 woorden die de denkers bij elkaar tikten geen recht – maar in en vooral rondom het AW-lab was afgelopen week sprake van meer offline sociaal gedrag dan in andere weken van het jaar en dat verenigde zich, toepasselijk genoeg, beter met snel even scannen dan met zorgvuldig, langdurig lezen (wel ging Kerst erg goed met mijmeren samen). Maar waar het hier om gaat is dat slechts weinige van de ondervraagde denkers zich afvroegen wat een ‘manier van denken’ nu eigenlijk inhoudt en wat het betekent als die verandert. Daar schreven ze althans nauwelijks over; ze schreven over hun ervaringen.

En nog interessanter is misschien wel het besef dat dat ook eigenlijk is wat je van hen wilt weten – iets als ‘hoe was het voor jou?’ Dat is zeker wat je van de mensen uit 1912 wilt weten. Hoe dachten jullie? Hoe ervaarden jullie de werkelijkheid, met jezelf erin? Ach, probeer dat maar eens te onderzoeken. Introspectie en wetenschappelijk onderzoek gaan even hopeloos samen als sommige families met Kerst.

Maar wacht – dat was anders in 1912, dat over die introspectie. Een korte zoektocht in de psychologische databases levert June E. Downey op (1875-1932), eerste Amerikaanse vrouw die ooit een universiteitsafdeling leidde (en die nu toch wikilemmaloos blijkt, al heeft haar University of Wyoming wel een studentenflat van acht verdiepingen naar haar vernoemd). Als mensen zich een voorstelling van zichzelf maken, schreef Downey in 1912 in Psychological Review, dan is die meestal visueel. Veelal het eigen spiegelbeeld of een extreem flatterende of juist vreselijke foto. Of zichzelf zonder hoofd, want je eigen hoofd zie je zonder spiegel niet.

In eerder werk (Psychological Bulletin, 1905) beschrijft ze haar eigen ervaringen met wat ze het ‘normaal fluctuerende gevoel van realiteit’ noemt. ‘Slaapgebrek reduceert het realiteitsgevoel [...] Acute pijn, daarentegen, doet het toenemen, zo sterk dat het soms een opluchting is’, schrijft ze. En: ‘Uitnodigingen overtuigen niet, vooral mondelinge niet. Ik ervaar altijd een gevoel van verraste opluchting als ik ontdek dat ik die niet “gedroomd heb”.’

Aanbellen voor een oudejaarsfeestje en wachtend tot ze opendoen denken ‘ze zijn vast niet thuis, ik heb het verkeerd begrepen’. Downey deed het een eeuw terug al. Het geeft een gevoel van ‘verraste opluchting’: sommige mensen dachten, in elk geval soms, hetzelfde in 1912 als sommige mensen in 2011.