Een publieke bank, die weer concurreert op fatsoen?

Wat hebben de rooms-katholieke kerk en het bankwezen met elkaar gemeen? Een verhoogde zelfdunk en een verlaagd vermogen tot schaamte. Zeker bij de banken is niet het aanwijzen van schuldigen acuut, maar het nemen van maatregelen om verantwoordelijkheden te leggen waar zij horen.  De politiek zou daar wijzer en flinker kunnen zijn. Banken zijn belangrijk

Wat hebben de rooms-katholieke kerk en het bankwezen met elkaar gemeen? Een verhoogde zelfdunk en een verlaagd vermogen tot schaamte.

Zeker bij de banken is niet het aanwijzen van schuldigen acuut, maar het nemen van maatregelen om verantwoordelijkheden te leggen waar zij horen.  De politiek zou daar wijzer en flinker kunnen zijn.

Banken zijn belangrijk om de economie gezond te houden. Bedrijven en burgers betalen elkaar via banken. Zij kunnen hun ambities realiseren door geld te lenen of tijdelijk tegen een vergoeding te parkeren. Dat is de publieke nutsfunctie van banken.

Daarnaast denken bankiers van oudsher dat zij slimmer zijn dan andere mensen. Zij hebben altijd voor eigen rekening gehandeld. En vooral met andermans geld. Dat levert winst op, voor de klant een graantje.

Veel is fout gegaan toen winst en risico uit balans raakten. Toen de geïnformeerde gok op de beurs werd ingehaald door financiële producten waar bankdirecteuren zelf het fijne niet van begrepen. Kenmerk van  die contracten was het wegspelen van risico’s en het verveelvoudigen van opbrengsten.

Het afschaffen van de ‘Glass-Steagall’ wet maakte in 1999 in de VS een einde aan de verplichte scheiding tussen nutsbankieren en zakenbankieren (op de financiële markten). Banken slorpten elkaar op en werden ontembare financiële roofdieren. Informatisering en globalisering bevorderden de explosieve mix van snelheid, kolossale bedragen, ondoorzichtigheid én geautomatiseerd kuddegedrag. Speculeren tegen landen werd gewoon.

Voor de commissie-De Wit en bij soortgelijke buitenlandse onderzoeken naar het financiële systeem bleek dat externe toezichthouders en raden van commissarissen permanent achter het net vissen. De financiële conglomeraten zijn te complex en onderling afhankelijk.

Net als de kerk van Rome roepen vertegenwoordigers van de banken dat zij zelf orde op zaken stellen, dat overheden hen niet met steeds nieuwe regels moeten afleiden. Terwijl het bankwezen in 2008 en nu opnieuw met duizenden miljarden publiek geld overeind wordt gehouden. De echte consequenties zijn daar nog niet uit getrokken. Het is tijd dat politici van alle partijen hun bedeesdheid afleggen.

Nog steeds zijn de meeste bankwinsten geprivatiseerd en de risico’s voor de gemeenschap. Geef de banken voldoende geld, stel niet te veel kapitaaleisen, dan komt de economie vanzelf weer op gang, luidt de sirenenzang. Helaas, de banken hebben het gegeven vertrouwen zo massaal geschonden dat de publieke zaak zich domweg niet kan veroorloven weer miljarden op goed geluk bij de banken binnen te kruien.

In het verleden behaalde resultaten maken het verstandig meer geloof te hechten aan mensen als oud-FED-president Paul Volcker, een rij internationale economen onder wie in Nederland Arnoud Boot, en oud-minister van financiën Wouter Bos. De laatste zei voor de commissie-De Wit dat banken weg moeten van een verdienmodel gericht op onbeperkte, wereldwijde groei.

Deskundigen als  Volcker pleiten voor beperking van de omvang van banken – om overheden niet te ruïneren als het mis gaat met banken die te groot en te belangrijk zijn om  te laten zinken. Boot pleit in een recent pre-advies van de Vereniging voor Staathuishoudkunde voor het ontrafelen van het publieke deel en het avontuurlijke deel van banken. Die zouden onder één holding functioneren mét een plan voor complete ontvlechting in geval van nood.

Of halve ontvlechting genoeg is, betwijfel ik. Het geeft minder drama, grotere slagkracht, maar de ‘chinese walls’ die ik in de jaren ’80 in de Londense city tussen bank-afdelingen met tegengestelde belangen zag leverden vooral knipogen op. Het heeft bij de grote accountantsfirma’s ook niet echt  gewerkt – Arthur Andersen is bezweken onder de verleidingen bij de energie- en geldgoochelaars van Enron, dat in 2001 door de mand viel. Ik zie de verbijsterde werknemers nog met hun kartonnen dozen uit de glazen Enrontoren in Houston stappen.

De geloofwaardigheid van het politieke bestel is aangetast door acht jaar onwaarheid rond de Amerikaanse oorlog in Irak, schreef H.J.A. Hofland deze week. Niet toevallig komt dat drama voort uit eenzelfde waan van almacht en eigenbelang die de financiële fantastenklasse  tot ongekende hoogte heeft opgestuwd. Eerst in de VS en Londen, later in de rest van de wereld. Met de bonus als normaal gedrag verstorende prikkel – ook in Nederland hebben bankiers targets willen halen voor weer een grotere Zuidas-auto.

Publiek nadenken over banken en bonussen gaat niet om een afrekening,  maar om het wegnemen van absurde prikkels bij geldbedrijven en hun werknemers. Om het vervolgens zo te organiseren dat de staat alleen aansprakelijk is voor risico’s die zij behoort te dragen. Financiële trapeze-artisten moeten vooral hun eigen risico’s nemen, en dragen.

Misschien zorgt de oprichting van een sobere publieke nutsbank voor een gunstige prikkel. Een bank die niet concurreert op tariefjes maar op fatsoen. Een bank die de klant diensten verleent.