Eén leuke avond, duizend idioten

Het was maar één misstap, die ‘Martin Kallikak’ beging, maar er is nog steeds van tijd tot tijd gedonder over. De piepjonge soldaat in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (18de eeuw) beleefde een leuke nacht met een kroegdame die niet helemaal goed was en kreeg een zoon, ‘Martin junior’. Begin twintigste eeuw speurde Henry Goddard, werkzaam als psycholoog op het New Jersey Home for the Education and Care of Feebleminded Children, al juniors 1.146 afstammelingen na. Ruim een vijfde bleek ‘zwakzinnig’, net als de barmeid, en er zaten ook veel buitenechtelijke kinderen, prostituees en alcoholverslaafden tussen. Goddard beschreef het in 1912 allemaal in zijn boek The Kallikak Family: A Study in the Heredity of Feeble-Mindedness.

Dat was de slechte tak van de familie; er was ook een goede. Martin Kallikak Sr. – Kallikak is een door Goddard bedacht pseudoniem gebaseerd op het Griekse kalos, goed, en kakos, slecht – trouwde namelijk ook nog met een respectabele dame met wie hij tien kinderen kreeg. Hun 496 afstammelingen waren allemaal wél goed bij hun hoofd; er zaten slechts twee alcoholici tussen en één man die het niet zo nauw nam met de goede zeden. Een helder argument, volgens Goddard, tegen wat men in het Engels ‘het zaaien van wilde haver’ noemt: het maken van buitenechtelijke kinderen (wilde haver is een aan haver verwant onkruid waar niemand iets aan heeft). Bovendien, schreef hij, was het een duidelijk bewijs voor de erfelijkheid van zwakzinnigheid. Hij stelde voor zwakzinnigen geheel gescheiden te laten wonen van de rest van de samenleving of hen zelfs te steriliseren.

Zijn boek werd destijds goed ontvangen in bijvoorbeeld Psychological Bulletin en The Journal of Abnormal Psychology, maar vanaf de jaren twintig barstten discussies los die nog steeds af en toe opflakkeren. Hoe was die zwakzinnigheid dan wel gemeten, en door wie? Steriliseren, gaat dat niet veel te ver? En hoe erfelijk is (gebrek aan) intelligentie nu eigenlijk precies? Zeker niet zo totaal als Goddard het in 1912 voorstelde.

Maar de mooiste controverse rondom het boek is die in 1981 begon in het boek The Mismeasure of Man van Stephen Jay Gould. De in 2002 overleden paleontoloog schreef dat de foto’s van de slechte tak van de Kallikak-familie geretoucheerd waren (gephotoshopt, zouden we nu zeggen), om ze kwaadaardiger te doen lijken: ‘Het is nu duidelijk dat alle foto’s van niet opgenomen kakos vervalst zijn door zware donkere lijnen aan te brengen die ogen en mond hun diabolische uiterlijk geven.’

En sindsdien gaat de discussie ook dáárover (American Psychologist, 1987/88). Was het wel Goddard die die foto’s retoucheerde? Was het boze opzet? Was het destijds niet gebruikelijk dat uitgevers ogen en mond op foto’s wat aanzetten, om ze in druk beter te laten overkomen? En leken de ‘kakkies’ nou wel echt vals met die toegevoegde zwarte lijnen? Texaanse psychologen hielden een enquête en concludeerden: nee hoor.

Oordeelt u zelf. Dat meisje, in die witte jurk. Lijkt ze nou door de duivel bezeten, of toch niet?

Ellen de Bruin