Een katermedicijn in driekwartsmaat

Aflevering 18: over de walsen van Johann Strauss junior.

The Viennese waltz, 19th century drawing Photo Credit: [ The Art Archive / Museum der Stadt Wien / Alfredo Dagli Orti ] The Picture Desk

De Donau, na de Wolga de grootste rivier van Europa, is bijna drieduizend kilometer lang en stroomt door (of langs) tien landen. ‘An der schönen blauen Donau’, de wals die Johann Strauss junior aan de rivier wijdde, wordt ieder jaar op 1 januari beluisterd en bekeken door een miljard mensen in 56 landen. Het tien minuten durende orkeststuk is een van de traditionele toegiften op het al even traditionele Weense Nieuwjaarsconcert, dat sinds 1941 door de Wiener Philharmoniker in de Musikverein wordt gegeven en sinds 1959 ‘in eurovisie’ wordt uitgezonden. Te bekijken vóór het skischansspringen in Garmisch-Partenkirchen, met de kwijnende oliebollen en futloze champagneresten van oudejaarsavond onder handbereik.

Een katermedicijn in driekwartsmaat, dat is het Eurovisie Nieuwjaarsconcert, met zijn vaste elementen, smaakvol in beeld gebracht: de rustgevende maar zwierige walsen van vader, zoon en (aangetrouwde) familie Strauss; de weelderige beelden van het ballet van de Staatsopera in het barokslot Schönbrunn; het world peace-toespraakje van de ieder jaar wisselende dirigent (morgen de Let Mariss Jansons); de in koor uitgesproken nieuwjaarswens van het orkest (‘Prosit Neujahr!’); en ten slotte de toegiften, met soms ‘Tritsch-Tratsch Polka’ of ‘Pizzicato Polka’, maar altijd ‘An der schönen blauen Donau’ en ‘Radetsky Marsch’ van vader Strauss, waarbij de dirigent zich omdraait en het publiek – o gruwel, o toppunt van burgerlijkheid, o camp – gaat meeklappen.

Naar de Radetskymarsch is een roman genoemd, het meesterwerk uit 1932 van Joseph Roth over de ondergang van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk; een vader-en-zoon-epos waaruit de verkalking en de schijnharmonie in de veelvolkerenstaat van keizer Franz Joseph naar voren komen, met de mars van Strauss senior als symbool voor het dansen op de vulkaan aan het begin van de twintigste eeuw. ‘An der schönen blauen Donau’ (in het Engels bekend als ‘The Blue Danube’) is nog veel vaker als symbool gebruikt: voor de statige gemaniëreerdheid van Wenen, voor de pracht en praal van de Dubbelmonarchie, en voor de Europese beschaving in het algemeen. De Britse filmregisseur Stanley Kubrick zette de wals onder een van de eerste scènes van zijn sciencefictionklassieker 2001: A Space Odyssey, ter illustratie van het behoedzame aanmeren van een ruimtevaartuig bij het moederschip. Charme, gratie, stijl, als opmaat voor een diep pessimistische film.

De walsen van Strauss, vooral die van Johann junior (1825-1899), worden tegenwoordig geïnterpreteerd als schijnzoet – ‘sneeuwballen met een steen erin’, zoals Joyce Roodnat ze ooit in het Cultureel Supplement omschreef. De muziek klinkt de invoelende luisteraar niet braaf of klef in de oren, maar opzwepend en onderdrukt zinnelijk. Ongeveer zoals de Straussen haar moeten hebben bedoeld. De wals was van oorsprong een Zuid-Duitse contactdans die het vormelijke groepsdansen had verdrongen en in de achttiende eeuw ook aan de hoven van Europa populair werd. Toen vader Strauss in 1804 werd geboren, was de Oostenrijks-Hongaarse hoofdstad al het centrum van de Weense wals, gekenmerkt door een sterke nadruk op de eerste tel en een hoofdrol voor de viool. Én door felle concurrentie tussen de uitvoerders, want terwijl Strauss senior moest opboksen tegen zijn leermeester Joseph Lanner, zo wilde Strauss junior zich ontworstelen aan de vader die zijn moeder had verlaten. Al op 19-jarige leeftijd richtte hij zijn eigen dansorkest op en bond hij – als in een Weense versie van de Bert Haanstra-film Fanfare – de strijd aan met de kapel van zijn vader. Toen zijn vader in 1849 overleed, was hij de onbedreigde Walzerkönig.

Strauss Sohn danste niet, maar hij swingde wel mee. Als Stehgeiger met zijn viool in zijn hand en een militair georganiseerd orkest achter zich veroverde hij de wereld: de concertzalen van Berlijn, Parijs en Londen, het hof van de tsaren in Petersburg, de theaters in Boston, Massachusetts. Het is een carrière – en een theaterpersoonlijkheid – die perfect is gekopieerd door de Maastrichtste violist en dirigent André Rieu, die met zijn Johann Strauss Orchestra, zijn stadiontournees en zijn Wiener melange van walsen en polka’s zelfs Australië en Zuid-Afrika heeft veroverd. Met één belangrijk verschil: kennen wij Johann Strauss jr van zijn 165 walsen en elf operettes (Die Fledermaus!), de Nederlandse Walsenkoning dankt zijn bekendheid aan de muziek van anderen. Hij werd beroemd met zijn versie van de Tweede Wals uit de Jazzsuites van Sjostakovitsj (en zijn optreden in een reclame met stoomwals, niet te vergeten).

Music for the millions – ook dat is zoals Strauss het bedoeld heeft. Voor een concert in 1892 liet hij een affiche ontwerpen met een Muze die danst met een wereldbol in haar armen, en met de wervende aansporing ‘Seid umschlungen Millionen!’; een tekst die overigens afkomstig is uit Schillers ‘Ode an die Freude’ (die Beethoven weer inspireerde tot het slotkoor van zijn Negende Symfonie). Eén keer per jaar, tijdens het Eurovisie Nieuwjaarsconcert, gebeurt dat in de praktijk, en kunnen we allemaal verstrengeld zijn in de hoogmis van de Weense walscultuur. Inclusief het alternatieve Europese volkslied ‘An der schönen blauen Donau’, de ode aan een rivier die vaker bruin dan blauw is en die opvallend genoeg in alle Duitstalige landen bekendstaat als Schwarzer Fluss – omdat ze ontspringt in het Zwarte Woud en uitmondt in de Zwarte Zee.

    • Pieter Steinz