Een Grande Parade voor Kaspar König in Keulen

Directeur Kaspar König neemt met een belangrijke tentoonstelling afscheid van Museum Ludwig in Keulen. Hij laat zien dat musea nodig zijn, als vrijplaats.

Er is lef voor nodig om een tentoonstelling te maken van figuratieve sculpturen uit de jaren vijftig in combinatie met hedendaagse kunstinstallaties. De ouderwetse bronzen beelden zijn voor een belangrijk deel in de vergetelheid geraakt en hun afstand tot de kunst van nu lijkt groot.

Vor dem Gesetz (voor het gerecht) is de laatste tentoonstelling van Kaspar König als directeur van Museum Ludwig in Keulen. König trad in 2000 in Keulen aan en werd beroemd met veelomvattende thematentoonstellingen als Westkunst, Von hier aus en Der Zerbrochene Spiegel in de jaren tachtig en negentig. Daarnaast is hij de initiator en artistiek directeur van de legendarische tienjaarlijkse, internationale beeldhouwkunstmanifestatie Skulptur Projekte in Münster, waarvan de eerste aflevering plaatsvond in 1977. König is een van die zeldzame tentoonstellingsmakers die in staat zijn om op een volstrekt eigen manier een tijdsbeeld neer te zetten dat overtuigingskracht heeft.

We wisten dat König grote thema’s niet schuwt. Voor het gerecht spant wat dit betreft de kroon. König wil met zijn afscheidstentoonstelling de zoektocht naar „de essentie van het mens zijn” aan de orde stellen. In de sculpturen uit de jaren vijftig zijn volgens hem „de vernietiging van het humanistische wereldbeeld en de zoektocht naar het wezen van de mens onmiddellijk aanwezig”. In zijn voorwoord bij de catalogus verwijst König terug naar de periode vlak na de oorlog, toen „de vraag naar individuele keuzevrijheid en vrijheid van beweging onder bescherming van het principe van menselijke waardigheid geformuleerd werd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948)”.

Dat onderwerp is nu, in tijden van globalisering en migratie, opnieuw actueel. Volgens König hebben de kunst en het museuminstituut hierin een belangrijke rol te vervullen. Het is de taak van het museum, stelt hij vast, kunstwerken te bewaren en te onderzoeken als deel van het culturele geheugen en van de identiteit van een maatschappij. Het museum dient de dialoog met hedendaagse kunst mogelijk te maken in het licht van de geschiedenis.

Een vrolijke tentoonstelling is het niet geworden. Maar König slaagt erin duidelijk te maken wat de reden is voor zijn zwaarmoedigheid en zijn pathos: namelijk dat er niets minder op het spel staat dan de overleving van de menselijke waardigheid en van de kunst die daar deel van uitmaakt. König laat zien hoe het museum die taak kan vervullen en hoe urgent deze opdracht is. Het maakt Voor het gerecht tot een belangrijke en uitzonderlijke expositie.

Pontificaal in het midden van de tentoonstelling, halverwege het parcours van aaneengeregen zalen, staat een bijna vier meter hoog, roestkleurig stalen beeld van Thomas Schütte uit 2011, getiteld Vader Staat. De mannenfiguur met zijn strenge gezicht, de geplooide mantel die tot op de grond reikt en een muts op het hoofd, heeft het aanzien van een historische theoloog, een filosoof of een humanistisch geleerde. Lelijk en bombastisch is het, een slechte imitatie van monumentale, klassieke beeldhouwkunst, niet van onze tijd. Tenminste, dat denk je. Maar misschien is het, met die mengeling van nostalgische retrokitsch en monumentalisme en met die sarcastische titel, juist heel erg van deze tijd.

Vader Staat lijkt de belichaming te zijn van de poortwachter uit het verhaal van Kafka waar de tentoonstelling naar vernoemd is. In dit verhaal zoekt een ‘man van het platteland’ toegang tot de wet. Hij komt aan bij de poort naar de wet, waar de wachter hem de toegang, althans voorlopig, ontzegt. De man is vastbesloten en doet alles om de wachter op andere gedachten te brengen. Uiteindelijk sterft hij buiten de poort. Vlak voor zijn dood vertelt de wachter hem dat de poort speciaal voor hem was gemaakt en al die tijd open was geweest, maar nu voorgoed gesloten wordt. Net als deze poortwachter belichaamt Vader Staat de macht. Onbewogen, misschien met een welwillend oor, maar niet begaan met het lot van wie aan de deur klopt.

De bronzen sculpturen uit de jaren vijftig zijn verbeeldingen van gemutileerde, gewonde, hulpeloze, stervende mensfiguren. Het zijn zonder uitzondering perverteringen van het ideale mensbeeld zoals dat eeuwenlang de norm was in de klassieke beeldhouwkunst en zoals dat weer opgerakeld wordt door museumdirecteur Schütte. Ze laten zien dat er na de Tweede Wereldoorlog van dat ideale mensbeeld niets was overgebleven, dat de ideale mens zelf geperverteerd was geraakt. Zoals de Griffu van Germaine Richier, een uitgemergelde mens die met handen en voeten vastzit aan dunne ijzeren staven. Of Figuur in de ruimte van de Britse beeldhouwer Reg Butler, sensueel en gewelddadig tegelijk, van een naakte vrouwenfiguur die hangend aan haar voeten de ruimte in wordt geslingerd, de dynamische sculptuur balancerend op één punt. Een kleine versie van Zadkine’s Verwoeste Stad, gemaakt voor Rotterdam, in herinnering aan het bombardement, is ook op de tentoonstelling aanwezig, net als het anderhalve meter lange, dunne been La Jambe van Giacometti, met de voet vastgeklonken aan een bronzen sokkel. Oh Duitsland, bleke moeder! heet een zittende vrouwenfiguur van Fritz Cremer. De vrouw heeft de ogen gesloten en een smartelijke uitdrukking op het gezicht, de plooien van haar omslagdoek zijn rauw met het mes in het materiaal gekerfd. Een grotere versie van deze sculptuur staat bij het voormalig concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk.

Veel van deze sculpturen waren ooit te zien op de eerste twee Documenta-tentoonstellingen in Kassel, in 1955 en in 1959. De schilder en kunstdocent Arnold Bode had het initiatief genomen tot deze ‘wereldtentoonstelling van de kunst’ om de door de Nazi’s als ‘ontaard’ verklaarde kunst te rehabiliteren, om te laten zien dat de kunst niets met nationalisme te maken heeft, maar internationaal en universeel is.

Het pathos van de tragische, verslagen bronzen mensfiguren komt uit een voorbije wereld. En toch, we begrijpen deze beelden nog, ze hebben hun werking niet verloren. Of misschien begrijpen we ze opnieuw, nu het modernistisch vooruitgangsideaal definitief voorbij lijkt te zijn. Nu economische en politieke ontwikkelingen dwingen tot een herbezinning op de vraag naar de betekenis van kunst voor de samenleving en de betekenis van het museum als schatbewaarder van het cultureel geheugen.

Ook aan de hedendaagse werken in de tentoonstelling is pathos niet vreemd. De grote installatie van Jimmie Durham, Building a Nation (2006), een soort bouwplaats met planken, open wanden, plastic pijpen en allerhande rommel, is een aanklacht tegen de founding fathers van de Verenigde Staten wegens de discriminatie en uitroeiing van indianen. Overal hangen teksten van George Washington, senator George H. Pendleton en vele anderen die pleiten voor gewelddadige onderdrukking van de ‘barbaarse indianen’. Naast de teksten hangen spiegels, die de bezoeker duidelijk moeten maken dat we allemaal deel uitmaken van deze geschiedenis.

Pawel Althamer schiep een science-fictionachtige variant op de beeldengroep Burgers van Calais van Rodin. Gekleed in aluminium pakken en met helmen op marcheert een levensgrote groep mensen achter een robot aan. Zoe Leonard plaatste een eik van negen meter hoog, afkomstig uit een industriële woestenij buiten Keulen, in het museum (Tree, 1997/2011). De gemangelde boom wordt met grote bouten en metalen klampen bij elkaar gehouden en gestut door een ijzeren steunbeer.

Monika Bonvicini maakte met gipsplaten en aluminium frames een wankele kamer zonder plafond en met gaten in de muren. In deze kamer tekende ze op de gipswanden hilarische striptekeningen bij citaten die gaan over strijd tussen man en vrouw. Zoals de uitspraak van architect Adolf Loos, de architect van de strenge geometrische functionaliteit, uit 1908: „Een horizontale lijn: de op haar rug liggende vrouw. Een verticale lijn: de man die haar penetreert.” Daarnaast een citaat van bijna honderd jaar later, de memorabele woorden van de eerste vrouwelijke architect die ooit de Pulitzerprijs won, de Irakese, in Londen wonende Zara Hadid: ‘Cut off your dick and eat it’. Bonvicini kalligrafeerde deze zin naast een tekening van een zelfgenoegzame Hadid, rokend op een stoel.

De installatie van Kate Black is bij uitzondering een lichtvoetig werk. Black beschilderde slierten en proppen cellofaan met lichtroze, lichtblauwe en lichtgele verf. Zij maakte daarmee festoenen en guirlandes die zij aan dunne draden ophing, als een feestelijk hekwerk rondom een vijftien meter lange rechthoek van wit oplichtend gipspoeder op de vloer. In het wit zijn vage vlekken van de pastelkleuren te zien, als een soort weerschijn van de slingers. De installatie van Black is, zoals al haar werk, tijdelijk. Met vergankelijke, kwetsbare materialen schiep zij een ruimte die van een ijle, onaardse schoonheid is. Na afloop van de tentoonstelling gaan de spullen in de afvalbak.

Werkwijze, materiaalgebruik, stilistische overwegingen, artistieke attitude – in bijna alle opzichten zijn deze hedendaagse kunstinstallaties onvergelijkbaar met die van de jaren vijftig. Het begrip Hoge Kunst heeft afgedaan, de kunstenaars van nu doen geen grote, theatrale uitspraken, ze klagen de hemel niet aan, ze hebben een afkeer van heldendom, ze tonen geen smartelijke wonden. En doen ze dat wel, gebeurt dat onder een laagje ironie, humor of sarcasme.

En toch.

De nevenschikking van de kunst van nu en van toen zoals König die heeft gemaakt, suggereert dat dit laagje maar dun is. De dieperliggende thematiek van maatschappelijk onrecht, de onderdrukking en uitsluiting van zwakkeren, de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan, is dezelfde gebleven. Voor het gerecht laat zien dat we de kunst en het museum nodig hebben als vrijplaats om deze belangrijke thema’s aan de orde te stellen en zichtbaar te maken.

Voor de wet. Naoorlogse sculpturen en ruimten van hedendaagse kunst. Afscheidstentoonstelling van Kaspar König, Ludwig Museum, Heinrich-Böllplatz, Keulen. Tot 22 april. Di – zo 10-18 uur, ma gesloten. www.museum-ludwig.de.

    • Janneke Wesseling