De Wreker van het Jaar

Johan Cruijff was in 2011 de markantste sportpersoonlijkheid. Er is nog weinig fluweel aan zijn revolutie bij Ajax. Wat is over van de speelse jongen uit Betondorp? Alleen het rattige van de straat, vreest Hugo Camps.

De meest markante Sportpersoonlijkheid van het Jaar is zonder enige twijfel Johan Cruijff. Als Fantoom van het Jaar zou hij ook hoog scoren, want de kunst van verschijnen en verdwijnen is hem op het lijf geschreven. Of nog: de Zendeling van het Jaar. Ten slotte: de Wreker van het Jaar.

Johan Cruijff is een uitvouwbaar mens.

Hij heeft nu ook de verwildering van Wilders in het voetbal gebracht. Niemand had het nog over de prachtige herfstbladeren op de weg naar het stadion. De dubbele schaar van Robin van Persie. Het koninklijke torinstinct van Klaas-Jan Huntelaar.

Voetbal was politiek geworden, inclusief roddel en achterklap. Signatuur van de zielsverhuizing: Johan Cruijff.

Wat is er nog overgebleven van het speelse jongetje uit Betondorp met zoveel flair en brille? Ik vrees: alleen het rattige van de straat.

De liefhebber is nu machtszoeker. Vroeger had hij vrede met een mystieke rol. Dwalende geest op De Toekomst en in de Arena. Altijd gelijkhebberig, maar niet kwaadaardig. Ook nog met de abstracte schoonheid van een ondoordringbare vocabulaire. De prins Claus van Ajax.

Standing.

Goed twintig jaar geleden zei Cruijff op een genoeglijke avond in Barcelona tegen steller dezes: „De nummer 1 wordt altijd aangevallen. Tegen wie zouden ze zich anders moeten afzetten? Ik ben dat mijn leven lang al gewend. Ik neem de beslissingen alleen, continu. Als er mensen zijn die het daar moeilijk mee hebben, hoor ik het wel. Dan zijn we gauw uitgepraat. Dan ga ik. Verder heb ik geen toekomstvisie en doe ik niet aan carrièreplanning. Danny wordt daar soms ook gek van.

„Een bestuur is in principe geen partij voor me, want die heren hebben geen verstand van de materie. Het zijn vrijetijdsbesteders met wie ik over mijn vak eigenlijk niet kan praten. Ik kan het hun wel half uitleggen, maar dan nog neem ik de boel in de maling.”

Wat zijn twintig jaar in een mensenleven? Niets. Johans oude teksten zijn onveranderlijk actueel.

Zijn academische eenzaamheid is uitgegroeid tot een guerrilla. Melancholie is ingeruild voor vuurwerk. Er is alleen nog het conflictmodel en een stevige portie verruïneringslust. Alles wordt in contrapunt gezet. Zo was het vroeger ook al: Johan Cruijff, dat was de splitsing tussen het ego en de wereld. Maar het bleef gemoedelijk.

Na de dramatische wedstrijd van Ajax in Madrid katapulteerde hij zich ineens buiten de loopgraven. Uiteraard via zijn column in De Telegraaf. „Ik schrijf jullie kapot”, was de aanhef van een niet meer eindigende bloedvete met het Ajaxbestuur. Zo grof in de pen kenden we deze scribent niet. Zijn stukjes hadden van oudsher wel iets aanvallerigs – poëtisch werd het nooit. Maar het bleef bij beschaafde contramine en een wat rellerige ondertoon. Altijd tegen. Tegen de KNVB, tegen de nitwitten van regering en parlement, tegen de mensheid in het algemeen.

Leuk om te lezen, maar je was het meteen ook weer kwijt.

Maar op een dag gebruikte hij De Telegraaf als bazooka. De altijd zo filosofisch georiënteerde commentator wou bloed zien. Alles werd persoonlijk: raad van commissarissen, directie, trainersstaf op De Toekomst, Louis van Gaal natuurlijk. Cruijff stapte zelfs naar de rechter. Willem van Hanegem noteerde: „Dit is een inktzwarte bladzijde in de Ajax-historie. Wie procedeert er tegen zijn eigen club? Dat doe je gewoon niet.”

Ajax was begonnen aan een etnische zuivering, in de regie van het grootste Ajaxicoon ooit. Weg fluwelen revolutie. Bloed aan de paal.

Het regime van gunstelingen trad aan. Dennis Bergkamp en Wim Jonk werden gepositioneerd als het voetbalhart van Ajax. Danny Blind en anderen konden bij het grof vuil. Het was een rare machtsgreep. Bergkamp en Jonk waren verdienstelijke spelers, als trainers hadden ze nog niets bewezen. Managerskwaliteiten zijn hun vreemd. Bij momenten bekroop je het gevoel dat er op De Toekomst iets van een sekte was ontstaan.

Niet dat er aan de jeugdopleiding niets moest veranderen. Dat er te weinig gedaan werd met het kapitaal ‘eigen jeugd’ was voor insiders geen geheim. Dat er mede door bizarre aankopen gaten waren geschoten in de typische Ajaxstijl kon een kind zien. Als geboren Ajacied en voetballiefhebber had Johan Cruijff zeker recht van spreken. Er ging veel mis bij zijn club. Maar waarom die tactiek van de verschroeide aarde?

Het moet zijn bloedhekel zijn aan alles wat zich in bestuurskamers ophoudt. Het gaat hem om macht, noteerde Menno de Galan in zijn prachtige boek De coup van Cruijff. Hij wil alleenheerser zijn. „Cruijff wil alles zelf regelen, zonder inspraak en overleg. Hij ziet elke discussie als een wedstrijd. Het sluiten van een compromis beschouwt hij als een nederlaag. Hij kan niet tegen zijn verlies.”

De nobelste aller Ajacieden, Piet Keizer, zegt: „Johan is elke grond onder de voeten kwijtgespeeld.”

Het was niet handig van de raad van commissarissen Van Gaal alvast te benoemen tot grote baas, ook nog buiten medeweten van commissaris Cruijff. Het was de escalatie van de provocatie. Hand overspeeld. Ten Have had kunnen weten dat hij met deze zet het aureool als martelaar alleen maar groter maakte. Ineens werd Cruijff als slachtoffer gezien, ook door zijn tegenstanders. Het was een kanteling in het moddergevecht.

Het gebrek aan vertrouwen in bestuurder Cruijff was nochtans legitiem. Zijn carrière als speler en coach was een serie van incidenten. Overal waar hij figureerde, verliet hij de club met slaande deuren. Vernietigend waren de woorden van zijn assistent bij Barça, Carlos Rexach: „Johan praat soms alleen maar om zijn mond niet te moeten houden.”

Ajax heeft magere jaren achter de rug. In Europa en in de eredivisie. Ook daarom sloeg het verwachtingspatroon van Cruijff hoog aan. Eindelijk weer eens iemand die woorden van hoop en geloof sprak. Dat het Ajax aan voetbalverstand ontbrak, was voor de eerste de beste terreinknecht waarneembaar. Maar de illusie dat de alleenheerser Ajax weer naar de Europese top kan voeren is op drijfzand en rancune gebouwd.

Het moet iets genetisch zijn: Johan is geen bouwer. Hij heeft het geduld niet om met ondergeschikt talent om te gaan. Soms denk ik weleens dat hij de afbraak liefheeft. Of toch graag chaos om zich heen mag creëren. Bijna als roeping van een geboren destructuralist.

In zijn pathetische column van deze week maakt Cruijff andermaal brandhout van Ten Have en de zittende raad van commissarissen. Hij schreeuwt het bijna uit: „Wat zijn dit voor mensen?” De columnist kan niet begrijpen dat zij Ajax nog steeds in een wurggreep mogen houden. Ze moesten er allang uitgeknikkerd zijn.

Cruijff balanceert stilaan op de grens van haat. En dat is toch raar voor een zestiger met een weergaloze carrière. Het is bij vlagen ook infantiel.

Nog is de devotie voor Johan Cruijff groot in den lande. Met dank ook aan zijn ghostwriters en spindoctors. Mediatechnisch gesproken is Cruijff een niet in te nemen vesting. Maar er is toch sprake van enige afbladdering. Nederland is Ajaxmoe. Dat mag Johan zich aanrekenen. Ik durf er een fortuin op te verwedden dat hij over een tijdje weer helemaal onzichtbaar zal zijn geworden. En sfinx op een heuvel in Barcelona. Met af en toe in de krant nog een vingerwijzing ter attentie van Beatrix en Mark Rutte. Ajax geheel ontgroeid.

Ik heb als een gek genoten van de voetballer Johan Cruijff. Later als coach was het een genot om naar hem te luisteren. Te kijken ook naar de schouders die mee dansten op het ritme van de woorden. Dat zeg ik verkeerd: het zijn de schouders die spreken. Zij geven ritmiek en gewicht aan het vogelkopje.

Meestal was hij vrolijk, ook in de polemiek. Eén weemoedige klacht is me altijd bij gebleven. Toen hij half voor zich uit dromend zei: „Weet je wat het probleem is? Naar mijn idee overtuigt niemand ooit iemand. Voor een nummer 1 als ik is dat een ondraaglijke gedachte.”

Hugo Camps

    • Hugo Camps