De oudste mens was even een Brit

FraudeWetenschap die vervalst blijkt te zijn, was achteraf meestal ‘te mooi om waar te zijn’. En het resultaat bleek vaak ‘politiek correct’. De Piltdown-man was het ergste voorbeeld.

Als wetenschapsfraude een vak is, dan is de Rotterdamse medicus Don Poldermans een leerling en de Tilburgse psycholoog Diederik Stapel een gezel. Want de absolute meester is de nog altijd onbekende maker van de Engelse Piltdown-man, de vermeende ‘missing link’ in de menselijke evolutie die bedrog bleek.

Piltdown staat voor de grootste wetenschapsfraude in de geschiedenis: vele wetenschappelijke reputaties sneuvelden, de ontmaskering liet meer dan veertig jaar op zich wachten en het toch al ingewikkelde debat over de herkomst van de mens werd een halve eeuw lang vervuild. De omvangrijke literatuur over Piltdown biedt een fenomenologie van de fraude, die goed te herkennen is in het dit jaar in Nederland ontdekte geknoei met patiëntengegevens (Poldermans) en fingeren van onderzoeksdata (Stapel).

In de zomer van 1912 ontdekte Charles Dawson, advocaat en amateurarcheoloog, in een mijnschacht in Piltdown (Sussex) een bijzonder fossiel: een menselijke schedel met een aapachtige onderkaak. In de buurt werden vuurstenen werktuigen gevonden en prehistorische botten van zoogdieren. Na aanvankelijke aarzelingen accepteerden ook leden van de vooraanstaande Royal Society ‘Piltdown-man’ als de schakel tussen de moderne mens en de aapachtige voorouder.

De euforie over de ‘earliest Englishman’ was groot in het wetenschappelijk establishment van Engeland. Rond 1900, toen het merendeel van de westerse bevolking nog geloofde in het scheppingsverhaal, was het debat over de menselijke evolutie goed op gang gekomen. Maar waar Duitsland en Frankrijk grossierden in vondsten van Neanderthalers en Cromagnon-mensen, speelde Engeland een bijrol. Met Piltdown-man in het hart van de afstammingsboom, werden Neanderthaler en Cromagnon dode zijtakken.

Pas in 1953, bij een grote tentoonstelling in Londen, onthulde de paleontoloog Kenneth Oakley dat Piltdown-man fake was: een niet zo heel oude mensenschedel met de onderkaak van een orang oetan. De ‘verkleuringen’ op het bot waren kunstmatig aangebracht, net als de ‘gebruikssporen’ op de werktuigen en de menselijke ‘slijtage’ van de kiezen. De fossielen van zoogdieren kwamen waarschijnlijk uit Malta en Tunesië.

Eén vraag is nog altijd onbeantwoord: wie was de bedrieger? Hoofdverdachte is ontdekker Dawson, medeverdachte is zijn boezemvriend Teilhard de Chardin, de jezuïtische priester die later in de twintigste eeuw faam zou verwerven als wetenschapper en spiritueel denker. Ook Conan Doyle, geestelijk vader van speurder Sherlock Holmes, heeft op de verdachtenlijst gestaan. Maar in het detectiveverhaal van Piltdown ontbreken bewijzen en motieven.

Het niet opgeloste whodunnit-mysterie heeft veel bijgedragen aan de faam van Piltdown-man. Maar zoals evolutiebioloog Stephen Jay Gould terecht stelde in zijn essay Piltdown Revisited (1979) is er een veel interessantere vraag, namelijk: hoe kwam het dat iemand erin is getrapt? Want anders dan bedrogen hoogleraren achteraf beweerden was het bedrog niet heel geraffineerd. De antropoloog Franz Weidenreich schreef al in 1940 dat Piltdown-man nog het meest leek op een combinatie van een mensenschedel en orang oetan-kaak (!) en uit de evolutieboom moest worden verwijderd.

Dat Weidenreich – een geleerde van zeer grote faam – en andere sceptici niet werden gehoord, kwam doordat niemand wilde luisteren. Piltdown-man voldeed namelijk aan de verlangens en behoeften van de wetenschappers die hem accepteerden, en vooral aan hun vooroordelen en verwachtingen. Twijfels werden daarbij weggeredeneerd, feiten bijgevijld tot ze voldeden aan het gewenste beeld.

Politiek gewenst

Het was ook een eeuw geleden al aannemelijk dat de oorsprong van de mens ver buiten Europa lag. In Afrika, vermoedde Darwin. In Azië, dachten anderen nadat de Nederlander Eugène Dubois in 1891 een verre voorouder had gevonden op Java. Maar veel Europeanen – ook wetenschappers – hoopten toch dat de wieg van de mensheid niet in een ‘achterlijke’ kolonie had gestaan.

De toen gangbare evolutietheorie ging er bovendien vanuit dat bij de vroegste mensachtigen eerst het brein tot ontwikkeling was gekomen en daarna pas de rest. Piltdown-man paste met zijn moderne herseninhoud van krap anderhalve liter en zijn primitieve kaak perfect in die theorie. De vindplaats Sussex situeerde de menselijke oorsprong bovendien in het ‘beschaafde’ Europa. Bingo.

De fraude van sociaal psycholoog Diederik Stapel, die de Nederlandse wetenschapswereld schokte door voor zeker 30 artikelen onderzoeksgegevens te fingeren, lijkt wel wat op de fraude rond Piltdown-man. Piltdown-man paste naadloos in wat ‘politiek gewenst’ was. De uitkomsten van Stapel ook. Zo ‘bewees’ hij in een publicatie in Science dat mensen racistischer worden naarmate de omgeving desolater is – een ‘bevestiging’ van de ‘broken window’-theorie.

Hoop en verwachtingen van de buitenwereld wakkerden ook de hype aan rond de ‘koude kernfusie’, zo leert On Fact and Fraud (2010) van wetenschapsfilosoof David Goodstein. De Amerikaanse scheikundigen Pons en Fleischmann meldden in 1989 dat ze in hun laboratorium kernfusie tot stand hadden gebracht. Een wereld met een oneindige voorraad goedkope energie leek nabij. Het was de triomf van bescheiden chemici over arrogante fysici, van een kleine universiteit over de grote universiteiten, van David over Goliath. Helaas bleek hun experiment niet te repliceren en Pons en Fleischmann raakten in de vergetelheid, niet als fraudeurs, wel als ‘pathologische wetenschappers’.

De verwachtingen en vooroordelen die de Piltdown-man zo begunstigden, hielden diens rivaal juist buiten de deur. In 1924 ontdekte de Australiër Raymond Dart in Zuid-Afrika het Taung-kind. De vondst van deze verre voorouder, die Australopithecus africanus werd gedoopt, bracht de oorsprong van de mens weer naar Afrika. De kenmerken van het Taung-kind stonden echter haaks op de theorie. Zijn hersenen waren nog klein, ongeveer zo groot als die van een chimpansee. Zijn onderkaak was vrij klein, als die van een mens. Taung was de weerlegging van de theorie dat het brein als eerste was geëvolueerd.

Ontdekker Raymond Dart wist nog wel een publicatie in Nature te krijgen, maar zijn uitgebreide monografie werd nooit uitgegeven. Tegenwoordig geldt Taung als een van de belangrijkste fossielen. Maar, schrijft antropoloog Dean Falk in The Fossile Chronicles (2011), hoe veel sneller had de theorie over de menselijke evolutie zich kunnen ontwikkelen, als het Taung-kind meteen was omarmd in plaats van de Piltdown-man?

Waarschuwingssignalen

Dat de Piltdown-man zo lang niet werd ontmaskerd, komt onder meer doordat de restanten in het British Museum angstvallig werden verstopt. Zelfs de meest welwillende onderzoeker kreeg alleen de beschikking over gipsen afgietsels, waarop bijvoorbeeld niet was te zien dat krassen waren aangebracht en niet ontstaan. Ook dat doet denken aan Stapel, die nieuwsgierige medeonderzoekers nooit toeliet tot zijn databestanden – voor zover die er waren.

Belangrijker was dat waarschuwingssignalen verkeerd werden uitgelegd. Eigenlijk was Piltdown-man too good to be true. Maar toen in 1915 een tweede vondst werd gedaan, ging een Amerikaanse scepticus overstag in plaats van dat hij nog wantrouwiger werd. ‘Want de fragmenten van de tweede Piltdown-man[…] zijn precies de onderdelen die we zouden hebben geselecteerd om de overeenkomsten met het origineel te bevestigen’, citeert Gould.

Volgens wetenschapsfilosoof Goodstein is ‘te mooi om waar te zijn’ een alarmbel. De Duitse natuurkundige Jan Hendrik Schön boekte rond de eeuwwisseling zulke spectaculaire resultaten met zijn ‘organische’ halfgeleiders dat hij na vele prestigieuze publicaties gold als Nobelprijs-kandidaat. Maar een Amerikaanse natuurkundige vond de data too perfect en sloeg alarm. Onderzoek wees uit dat Schön al zijn onderzoeksdata had verzonnen.

Ook de data van Stapel waren te perfect, constateerde de commissie-Levelt deze zomer: ‘De hypothesen worden vrijwel allemaal bevestigd; de effecten zijn onwaarschijnlijk groot; missing data of onmogelijke, out-of-range data komen niet of nauwelijks voor.’ De wetenschappelijke wereld schrok niet op, schrijft Levelt knorrig, maar concludeerde dat ‘de experimenteerkunde van de heer Stapel bewonderenswaardig was. “Te mooi om waar te zijn” was een welgemeend compliment voor zijn kunde en creativiteit.’

Met dit soort bewondering en verwachtingen lijken de makers van de Piltdown-man te hebben gespeeld. Een theorie is bijvoorbeeld dat de fraudeurs een grap hebben willen uithalen met de Britse wetenschappers die zo graag hun Franse collega’s wilden aftroeven. De grappenmakers hebben daarbij de wetenschappelijke wereld in de luren gelegd. Als demonstratie van het principe ‘de wereld wil bedrogen worden en daarom wordt die bedrogen’. Maar als de Piltdown-man is bedoeld als leerzame practical joke, dan is die ook in dat opzicht te mooi om waar te zijn.