Zeep, muziek en rookworst

Dat een goed boek ook goed verkocht wordt, is vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend. ‘Echt gebeurd is de eerste voorwaarde’ luidt het motto van de aandachtseconomie, schrijft Arjen Fortuin in zijn literaire eindejaarsoverzicht.

Nederland. Amsterdam, 23-01-2011. Leidseplein. Reclame voor de film the Tourist,met Angelina Jolie en Johnny Depp, in een Abri waar iemand met een rode broek zit te wachten op de tram. Foto: Patrick Post Patrick Post/Hollandse Hoogte

Wat een heerlijk instrument is de shredder, zei Hella S. Haasse deze zomer. „Dat knorrende geluid dat hij maakt…” De schrijfster had twee jonge journalisten van De Groene Amsterdammer op bezoek aan wie ze duidelijk maakte dat dit haar laatste interview zou zijn. Schrijven deed ze alleen nog in haar hoofd. „De bladeren zijn nu zo gevallen dat er niets meer aan de takken zit om over te schrijven. Het leek mij interessant te onderzoeken en te preciseren welke ballast ik in de loop der jaren ben kwijtgeraakt, en waarom, maar sinds de dood van mijn man is ook de behoefte tot schrijven afgenomen. Meer kan ik daar niet over vertellen.” En even verder in het gesprek, over wat er zoal in dat heerlijk knorrende apparaat verdween: „Mijn relatie met mijn man wil ik met niemand delen. Dat is van ons.”

Zeven weken na de publicatie van deze zwanenzang (haar aanduiding) stierf Hella Haasse. Ze werd alom bewierookt en beweend, zoals haar recente voorgangers in de grote literaire dood: Wolkers, Claus en Mulisch. Maar daar eindigde de overeenkomst, want van de spektakelbegrafenis die de mannen kregen, kon geen sprake zijn. Soeverein had Haasse gezegd dat zij geen polonaise aan haar kist wenste: de schouwburg bleef op slot, de videoschermen werden ingeklapt en de regenboog kon worden afbesteld.

Vijf dagen na Haasses dood verscheen een advertentie waarin stond dat de crematie die middag in familiekring had plaatsgevonden. Zoals ook die andere literaire dode hors concours, Hans Keilson, drie maanden eerder in een eenvoudige aula aan de rand van Amsterdam werd herdacht, in de eerste plaats door de mensen die al van hem hielden toen hij nog maar 99 was – en nog niet zo beroemd.

Niet speciaal om de dood van Haasse, Keilson en F. Springer – maar toch: 2011 was een jaar waarin meer verdween dan er bijkwam. Preciezer: waarin je zekerder was van wat er verloren ging dan van wat er ontstond. Een crisisjaar waarin de boekenbranche veelal leefde tussen digitale hoop en papieren vrees. Daar zag het in de eerste weken van het jaar nog niet naar uit. Boekhandels hadden de kerstversiering amper terug in de dozen gepropt of daar werden de pallets met boeken van ‘K2’ binnengereden: nieuwe romans van Kluun en Herman Koch gingen in zomaar een januariweek met tienduizenden over de toonbank. De boekhandel werd gesterkt in de gedachte dat de recessie het vak niet al te zeer in problemen zou brengen.

Dat was voor het laatst. De kortstondige bestsellerstrijd (Kluun begon sterk, uiteindelijk verkocht Koch veel meer) bleef een eenzame piek in de verkoop. Een zeer moeizame Boekenweek leverde een Eiffeltoren aan overtollige Boekenweekgeschenken van Kader Abdolah op. Boekhandelsketen Selexyz zweefde maandenlang op het randje van de afgrond. Net voor de laatste literaire funshopper het licht kon uitdoen kreeg het bedrijf een infuus van zeep, muziek en rookworst – in de vorm van een intensieve samenwerking met Sissy-Boy, Fame en de HEMA.

Uitgeverijen kropen dicht tegen elkaar aan om nog een beetje warmte te krijgen: De Arbeiderspers trok in bij Bruna, Balans voegde zich bij De Bezige Bij, Ailantus werd overgenomen door Nieuw Amsterdam, Contact en Atlas smolten samen. Meulenhoff Boekerij reorganiseerde, ontreorganiseerde en verloor directeur Sander Knol. Het was toch al dringen bij de uitgang: grote uitgevers als Emile Brugman en Robbert Ammerlaan, de eigenzinnige Bas Lubberhuizen, Athenaeumvoorman Mark Pieters en Nieuw Amsterdam- uitgever Carla de Jonge verlieten allemaal hun post, net als tientallen anonieme medewerkers. Zelfs Ari Doeser, sinds mensenheugenis directeur van de Nederlandse Boekverkopersbond, kondigde vorige week zijn vertrek aan.

Laverend tussen ongerustheid, paniek en plotseling optimisme gingen uitgevers en schrijvers de strijd aan. In de praktijk kwam die strijd neer op een volledige overgave aan de aandachtseconomie. Zonder extra aandacht kom je er niet meer. Dat een behoorlijk goed boek ook behoorlijk goed verkocht wordt, is niet meer vanzelfsprekend. Literair agent Paul Sebes constateerde ‘de instorting van het middensegment’: schrijvers die vroeger altijd wel een paar duizend exemplaren verkochten, bedelen nu bij hem om schnabbels.

Wie uit zichzelf aandacht genereert, gaat voor. Zo werden de rijen der literatoren de afgelopen weken aangevuld met Arie Boomsma, Rik Felderhof, Sara Kroos en Kasper van Kooten, auteurs waar zo de sticker Bekend van TV op had gekund – op een lichaamsdeel naar keuze. De resultaten waren wisselend.

De roman van het jaar was er intussen eentje van vorig jaar: Bonita Avenue van Peter Buwalda beleefde een door jury’s en lezers aangejaagde triomftocht waaraan alleen een grote literaire prijs ontbrak – hij verzamelde drie kleintjes en een handvol nominaties. Veel concurrentie had hij trouwens niet in het romanjaar 2011 was (alweer) schraal. Natuurlijk, er waren ambitieuze romans van Johan de Boose, Miquel Bulnes en Jan Van Loy. Enquist, Van der Meer, Brouwers en Verhulst schreven romans die niet hun slechtste waren – maar ook niet hun beste. Stefan Brijs verdeelde de meningen en Marcel Möring verslikte zich in zijn Louteringsberg.

En dan waren er schrijvers die dit jaar iets dringenders te publiceren hadden dan een gewone roman, zoals het boek waarin ik een paar maanden geleden begon te lezen. Bij de eerste ziekenhuisscène, na een tiental pagina’s, hield ik het niet langer. Ik bladerde verschrikt naar achteren om me te vergewissen van de goede afloop. Die was er. De goede afloop is niet het enige waarin Het lot valt altijd op Jona zich onderscheidt van de andere 2011- boeken ‘die geschreven moesten worden’, zoals ook Gestameld liedboek van Erwin Mortier. Er is ook het verschil dat Mark Boog een roman maakte van zijn verhaal. In 2008 werd zijn zoontje in het ziekenhuis opgenomen met een moeilijk te determineren maar ontegenzeggelijk levensbedreigende aandoening. Boog gebruikte de rapporten van het ziekenhuis op Het lot valt altijd op Jona te schrijven, maar maakte van het kind en de ouders fictieve personages. Het moest wel een roman zijn.

Dat had gevolgen voor de aandacht die Boog – een groot dichter en een sterke romanschrijver – kreeg. Die was minimaal. HP/De Tijd interviewde hem over het boek. Boog vertelde over de achtergrond, maar gaf ook aan dat hij de naam van zijn zieke zoon niet wilde prijsgeven en ook niet zou vertellen over de gevoelens van zijn familieleden. „Dat is van ons”, zou Hella Haasse hebben gezegd.

Boog veronderstelde: „Mensen zouden hun schouders ophalen en zeggen: een kind, wat erg”. Dat lijkt mij betwistbaar, maar hoe dan ook tekende de auteur zo zijn publicitaire doodvonnis; geen talkshow wilde hem hebben. Hoe aangrijpend de roman ook is, het verhaal moet wel echt zijn: Reves ‘Echt gebeurd is geen excuus’ is in de aandachtseconomie tot zijn tegendeel getransformeerd: ‘echt gebeurd is de eerste voorwaarde’. Zeker als een schrijver aandacht wil genereren buiten de literaire niche in de media, de plaats waar je moet wezen als je meer dan een handvol boeken wil verkopen. Peter Buwalda is de laatste maanden veel geïnterviewd, niet over de inhoud van zijn succesroman, maar over de vraag hoe het is om een literaire prijs op het nippertje mis te lopen. Want dat is een echt verhaal.

Hoe giftig dat kan uitpakken heeft Connie Palmen de afgelopen weken ondervonden. De ontvangst van haar Logboek van een onbarmhartig jaar was de kroniek van een aangekondigde vernietiging. Toen de grachtengordel twaalf jaar geleden hoorde dat er een nieuw literair-politiek glamourkoppel was geboren, deden dadelijk al de grappen de ronde over het boek dat Palmen zou gaan schrijven als Van Mierlo was overleden (H.A.F.M.O., in een variatie op I.M.). Immers, hij was jaren ouder en had een broze gezondheid. De onuitgesproken verdachtmaking was dat het misschien ook wel het verlangen naar dat boek en de bijbehorende aandacht was, waardoor Van Mierlo voor Palmen zo aantrekkelijk was.

Als zo’n boek er dan toch komt, kan het bijna niet goed gaan, behalve als het boek heel goed is. Cruciaal in Logboek van een onbarmhartig jaar is het zinnetje ‘Ik had het je gegund om de eerste te zijn’, iets wat Palmen tegen Van Mierlo zei, verwijzend naar haar andere grote liefde, Ischa Meijer. Het Logboek van een onbarmhartig jaar wil laten zien dat de liefde voor Van Mierlo niet tweedehands was, maar groot, onontkoombaar en oprecht – en het vastleggen van een liefde is ook altijd het claimen van de geliefde.

Logboek van een onbarmhartig jaar werd een onthutsend echt boek. Palmen legt een eindeloze reeks vreselijk verdrietige dagen vast, bekent misdragingen, beschrijft nieuw verdriet om nieuwe dierbare doden – maar ze heeft er inderdaad geen roman van gemaakt. Het boek is rauw, eerlijk en egocentrisch; zoals echt verdriet nu eenmaal is. Het is niets méér. Als lezer kom je niet veel verder dan compassie. ‘Wat erg’, zoals Mark Boog zei. Je leest Logboek van een onbarmhartig jaar zoals je vrienden in groot verdriet aanhoort: je slaat een arm om ze heen, je schenkt nog wat in en je hoopt dat je het in elk geval niet erger maakt.

Maar critici zijn geen vrienden en dus leverde haar Logboek Palmen een reeks vernietigende kritieken op, waarvan het belangrijkste verwijt door Marja Pruis in De Groene adequaat werd samengevat als: „Ze maakte zich niet klein genoeg.” Ergo: ze heeft haar hand overspeeld in de aandachtseconomie, ze vroeg te veel aandacht en gaf te weinig.

Het verwijt dat hij zich niet klein genoeg maakte, is A.F.Th. van der Heijden niet gemaakt na de publicatie van Tonio, zijn requiemroman voor zijn gestorven zoon. Daarvoor zijn zakelijke verklaringen te bedenken. Niet alleen schuwde Van der Heijden de publiciteit na de verschijning van zijn boek. Het schrijven van Tonio is alleen al in menselijk opzicht een prestatie waar je even stil van bent.

In de impliciete hiërarchie van de aandachtseconomie is een gestorven kind ‘erger’ dan een overleden echtgenoot. Los van het wrede absurdisme van die redenering (ontroostbaar is ontroostbaar – en het kan altijd erger), in de collectieve praktijk werkt het zo: Van der Heijden had recht op meer dan Palmen en vroeg om minder.

En er is een verschil in wat er in de boeken staat. Van der Heijden is even ongepolijst, egocentrisch en ontroostbaar als Palmen, maar er zijn ook verschillen. In stijl, maar vooral in inhoud. Van der Heijden beschrijft niet alleen de rouw, maar moet ook nog een speurtocht ondernemen: een 21-jarige is immers juist bezig zich van zijn ouders te verwijderen. Van der Heijden heeft zijn zoon de laatste jaren niet zo veel gesproken. Hij moet achteraf zien te ontdekken wie de jonge man was die hij verloren heeft. Die speurtocht maakt Tonio tot niet alleen een persoonlijke en documentaire onderneming, maar ook tot een literaire.

Dat het boek in al zijn echtheid in literaire zin verre van volmaakt is, zal ook voor Van der Heijden zelf op de tweede plaats komen. ‘Nu heb ik een Fremdkörper in mijn oeuvre’, zei hij na de verschijning van het boek. Een oeuvre waar hij vorige maand de Huygensprijs voor kreeg, een onderscheiding die hij als een aanmoedigingsprijs zei te beschouwen. Want ja, Adri van der Heijden gaat amper de straat nog op, maar hij schrijft wel. Zo komt Van der Heijden misschien volgend jaar wel weer met een gewone roman, waarbij het overigens de vraag is hoe welwillend de aandachtseconomie daarop zal reageren.

Eerst is het zaak om hier nog aandacht te eisen voor twee dingen. Allereerst de roman die in de literatuurgeschiedenis altijd met het jaar 2011 verbonden zal blijven. Een instant-klassieke vertelling die ervoor heeft gezorgd dat het jaar dat begon met de commerciële uitschieter K2 eindigt met een literaire Mount Everest: het schitterende Grip van Stephan Enter. Een roman (over alpinisten, inderdaad) die tot de laatste letter is doordesemd van de literaire scheppingskracht die ook Hella Haasse gedreven moet hebben.

En ten tweede: heeft het Letterkundig Museum in Den Haag de familie van Haasse al gevraagd om haar knorrende shredder te mogen tentoonstellen, als eerbetoon aan de literatuur van vóór de aandachtseconomie. Dan hangen we er een groot bord boven met de tekst: ‘Dat is van ons.’

    • Arjen Fortuin