Zeep, muziek en rookworst

Hella Haasse, Hans Keilson en F. Springer – 2011 was een jaar waarin meer verdween dan er bijkwam. Preciezer: waarin je zekerder was van wat er verloren ging dan van wat er ontstond. Een crisisjaar waarin deze drie auteurs overleden, maar ook een waarin de boekenbranche leefde tussen digitale hoop en papieren vrees. Daar zag het in de eerste weken van het jaar nog niet naar uit. Boekhandels hadden de kerstversiering amper terug in de dozen gepropt of daar werden de pallets met boeken van ‘K2’ binnengereden: nieuwe romans van Kluun en Herman Koch gingen in zomaar een januariweek met tienduizenden over de toonbank. De boekhandel werd gesterkt in de gedachte dat de recessie het vak niet al te zeer in problemen zou brengen.

Dat was voor het laatst. De kortstondige bestsellerstrijd (Kluun begon sterk, uiteindelijk verkocht Koch veel meer) bleef een eenzame piek in de verkoop. Een zeer moeizame Boekenweek leverde een Eiffeltoren aan overtollige Boekenweekgeschenken van Kader Abdolah op. Boekhandelsketen Selexyz zweefde maandenlang op het randje van de afgrond. Net voor de laatste literaire funshopper het licht kon uitdoen, kreeg het bedrijf een infuus van zeep, muziek en rookworst – in de vorm van een intensieve samenwerking met Sissy-Boy, Fame en de HEMA.

Uitgeverijen kropen dicht tegen elkaar aan om nog een beetje warmte te krijgen: De Arbeiderspers trok in bij Bruna, Balans voegde zich bij De Bezige Bij, Ailantus werd overgenomen door Nieuw Amsterdam, Contact en Atlas smolten samen. Meulenhoff Boekerij reorganiseerde, ontreorganiseerde en verloor directeur Sander Knol. Het was toch al dringen bij de uitgang: grote uitgevers als Emile Brugman en Robbert Ammerlaan, de eigenzinnige Bas Lubberhuizen, Athenaeum-voorman Mark Pieters en Nieuw Amsterdam-uitgever Carla de Jonge verlieten allemaal hun post, net als tientallen anonieme medewerkers. Zelfs Ari Doeser, sinds mensenheugenis directeur van de Nederlandse Boekverkopersbond, kondigde vorige week zijn vertrek aan.

Laverend tussen ongerustheid, paniek en plotseling optimisme gingen uitgevers en schrijvers de strijd aan. In de praktijk kwam die strijd neer op een volledige overgave aan de aandachtseconomie. Zonder extra aandacht kom je er niet meer. Dat een behoorlijk goed boek ook behoorlijk goed verkocht wordt, is niet meer vanzelfsprekend. Literair agent Paul Sebes constateerde ‘de instorting van het middensegment’: schrijvers die vroeger altijd wel een paar duizend exemplaren verkochten, bedelen nu bij hem om schnabbels.

Wie uit zichzelf aandacht genereert, gaat voor. Zo werden de rijen der literatoren de afgelopen weken aangevuld met Arie Boomsma, Rik Felderhof, Sara Kroos en Kasper van Kooten, auteurs waar zo de sticker ‘Bekend van TV’ op had gekund – op een lichaamsdeel naar keuze. De resultaten waren wisselend.

De roman van het jaar was er intussen eentje van vorig jaar: Bonita Avenue van Peter Buwalda beleefde een door jury’s en lezers aangejaagde triomftocht waaraan alleen een grote literaire prijs ontbrak – hij verzamelde drie kleintjes en een handvol nominaties. Veel concurrentie had hij trouwens niet in het romanjaar 2011, dat was (alweer) schraal. Natuurlijk, er waren ambitieuze romans van Johan de Boose, Miquel Bulnes en Jan Van Loy. Enquist, Van der Meer, Brouwers en Verhulst schreven romans die niet hun slechtste waren – maar ook niet hun beste. Stefan Brijs verdeelde de meningen en Marcel Möring verslikte zich in zijn Louteringsberg.

En dan waren er schrijvers die dit jaar iets dringenders te publiceren hadden dan een gewone roman, zoals het boek waarin ik een paar maanden geleden begon te lezen. Bij de eerste ziekenhuisscène, na een tiental pagina’s, hield ik het niet langer. Ik bladerde verschrikt naar achteren om me te vergewissen van de goede afloop. Die was er. De goede afloop is niet het enige waarin Het lot valt altijd op Jona zich onderscheidt van de andere 2011-boeken ‘die geschreven moesten worden’, zoals ook Gestameld liedboek van Erwin Mortier. Er is ook het verschil dat Mark Boog een roman maakte van zijn verhaal. In 2008 werd zijn zoontje in het ziekenhuis opgenomen met een moeilijk te determineren, maar ontegenzeggelijk levensbedreigende aandoening. Boog gebruikte de rapporten van het ziekenhuis om Het lot valt altijd op Jona te schrijven, maar maakte van het kind en de ouders fictieve personages. Het moest wel een roman zijn.

Dat had gevolgen voor de aandacht die Boog – een groot dichter en een sterke romanschrijver – kreeg. Die was minimaal. HP/De Tijd interviewde hem over het boek. Boog vertelde over de achtergrond, maar gaf ook aan dat hij de naam van zijn zieke zoon niet wilde prijsgeven en ook niet zou vertellen over de gevoelens van zijn familieleden.

Boog veronderstelde: „Mensen zouden hun schouders ophalen en zeggen: een kind, wat erg.” Dat lijkt mij betwistbaar, maar hoe dan ook tekende de auteur zo zijn publicitaire doodvonnis; geen talkshow wilde hem hebben. Hoe aangrijpend de roman ook is, het verhaal moet wel echt zijn. Reves ‘Echt gebeurd is geen excuus’ is in de aandachtseconomie tot zijn tegendeel getransformeerd: ‘echt gebeurd is de eerste voorwaarde’. Zeker als een schrijver aandacht wil genereren buiten de literaire niche in de media, de plaats waar je moet wezen als je meer dan een handvol boeken wil verkopen. Peter Buwalda is de laatste maanden veel geïnterviewd, niet over de inhoud van zijn succesroman, maar over de vraag hoe het is om een literaire prijs op het nippertje mis te lopen. Want dat is een echt verhaal.

Hoe giftig dat kan uitpakken, heeft Connie Palmen de afgelopen weken ondervonden. De ontvangst van haar Logboek van een onbarmhartig jaar was de kroniek van een aangekondigde vernietiging. Toen de grachtengordel twaalf jaar geleden hoorde dat er een nieuw literair-politiek glamourkoppel was geboren, deden dadelijk al de grappen de ronde over het boek dat Palmen zou gaan schrijven als Van Mierlo was overleden (H.A.F.M.O., in een variatie op I.M.). Immers, hij was jaren ouder en had een broze gezondheid. De onuitgesproken verdachtmaking was dat het misschien ook wel het verlangen naar dat boek en de bijbehorende aandacht was, waardoor Van Mierlo voor Palmen zo aantrekkelijk was.

Als zo’n boek er dan toch komt, kan het bijna niet goed gaan, behalve als het boek heel goed is. Cruciaal in Logboek van een onbarmhartig jaar is het zinnetje ‘Ik had het je gegund om de eerste te zijn’, iets wat Palmen tegen Van Mierlo zei, verwijzend naar haar andere grote liefde, Ischa Meijer. Het Logboek van een onbarmhartig jaar wil laten zien dat de liefde voor Van Mierlo niet tweedehands was, maar groot, onontkoombaar en oprecht – en het vastleggen van een liefde is ook altijd het claimen van de geliefde.

Logboek van een onbarmhartig jaar werd een onthutsend echt boek. Palmen legt een eindeloze reeks vreselijk verdrietige dagen vast, bekent misdragingen, beschrijft nieuw verdriet om nieuwe dierbare doden – maar ze heeft er inderdaad geen roman van gemaakt. Het boek is rauw, eerlijk en egocentrisch; zoals echt verdriet nu eenmaal is. Het is niets méér. Als lezer kom je niet veel verder dan compassie. ‘Wat erg’, zoals Mark Boog zei. Je leest Logboek van een onbarmhartig jaar zoals je vrienden in groot verdriet aanhoort: je slaat een arm om ze heen, je schenkt nog wat in en je hoopt dat je het in elk geval niet erger maakt.

Maar critici zijn geen vrienden en dus leverde haar Logboek Palmen een reeks vernietigende kritieken op, waarvan het belangrijkste verwijt door Marja Pruis in De Groene adequaat werd samengevat als: „Ze maakte zich niet klein genoeg.” Ergo: ze heeft haar hand overspeeld in de aandachtseconomie, ze vroeg te veel aandacht en gaf te weinig.

Het verwijt dat hij zich niet klein genoeg maakte, is A.F.Th. van der Heijden niet gemaakt na de publicatie van Tonio, zijn requiemroman voor zijn gestorven zoon. Daarvoor zijn zakelijke verklaringen te bedenken. Het is niet alleen omdat Van der Heijden de publiciteit schuwde na de verschijning van zijn boek. Het schrijven van Tonio is alleen al in menselijk opzicht een prestatie waar je even stil van bent.

In de impliciete hiërarchie van de aandachts-economie is een gestorven kind ‘erger’ dan een overleden echtgenoot. Los van het wrede absurdisme van die redenering (ontroostbaar is ontroostbaar), in de collectieve praktijk werkt het zo: Van der Heijden had recht op meer dan Palmen en vroeg om minder.

En er is een verschil in wat er in de boeken staat. Van der Heijden is even ongepolijst, egocentrisch en ontroostbaar als Palmen, maar er zijn ook verschillen. In stijl, maar vooral in inhoud. Van der Heijden beschrijft niet alleen de rouw, maar moet ook nog een speurtocht ondernemen: een 21-jarige is immers juist bezig zich van zijn ouders te verwijderen. Van der Heijden heeft zijn zoon de laatste jaren niet zo veel gesproken. Hij moet achteraf zien te ontdekken wie de jonge man was die hij verloren heeft. Die speurtocht maakt Tonio tot niet alleen een persoonlijke en documentaire onderneming, maar ook tot een literaire.

Dat het boek in al zijn echtheid in literaire zin verre van volmaakt is, zal ook voor Van der Heijden zelf op de tweede plaats komen. ‘Nu heb ik een Fremdkörper in mijn oeuvre’, zei hij na de verschijning van Tonio. Een oeuvre waar hij vorige maand de Huygensprijs voor kreeg, een onderscheiding die hij als een aanmoedigingsprijs zei te beschouwen. Want ja, Adri van der Heijden gaat amper de straat nog op, maar hij schrijft wel. Zo komt Van der Heijden misschien volgend jaar wel weer met een gewone roman, waarbij het overigens de vraag is hoe welwillend de aandachtseconomie daarop zal reageren.